De universaliteit van de Katholieke Kerk

8-11-2011

De gemeenschappelijke God der christenen

Jezus stelde de vraag: “Maar als de Mensenzoon wederkeert, zal Hij dan het geloof nog vinden?”. Hij liet het antwoord open en dat zwijgen is veelzeggend over wat geloof in wezen is. Geloof is niet gestoeld op wettelijke garanties, wetenschappelijke bevindingen of redelijk vaststaande prognoses, maar is innig verbonden met hoop, vertrouwen en liefde: geen materiële maar geestelijke werkelijkheden. Zij hebben voor een rationeel brein weinig te betekenen, ondanks het feit dat zij de voornaamste krachten zijn die de geschiedenis van mens en wereld bepalen. Het geloof doet denken aan een klein bloempje dat voor het eerst door de bodem priemt en zich vanuit de onderaardse duisternis naar boven werkt, naar het verkwikkend warme zonnelicht. Het plantje heeft geen enkele zekerheid over zijn toekomst, maar het gelooft erin, zoekt zijn weg en groeit, gedreven door onzichtbare oerkrachten die tot de essentie van het leven behoren. . .

Zulke overwegingen zijn heel mooi en ontroerend en zij leren ons iets over de essentie van het geloof dat in ieder mens leeft of sluimert, maar ze blijven onvruchtbaar als we hieraan geen concrete inhoud geven. De meest fundamentele geloofsvorm, die de basis legt voor al onze verdere levenskeuzes en beslissingen, is deze die onze algemene kijk op het waarneembaar universum bepaalt. De eerste vraag die zich daarbij opdringt is: “Bestaat dit alles zomaar op zichzelf, of is dit de zinvolle uitdrukking van een niet waarneembare werkelijkheid?”. De geloofskeuze die de meeste mensen maken is de laatste, maar ook die keuze moet nader ingevuld worden.

De invulling gegeven door joden, christenen en moslims (de ”gelovigen van het boek” zoals ze door islamieten genoemd worden) is klaar en duidelijk: er is maar één God die zich aan Adam en Eva, de Aartsvaders en de Profeten heeft geopenbaard. De invulling van de christen gaat wel nog een enorme stap verder: deze God heeft zich heel concreet met het mensdom verenigd, op een geschiedkundig vaststelbaar moment, rond het jaar 1. Hij heeft in Jezus het mensenlot met ons gedeeld om ons de weg naar Hem te wijzen en Hij heeft ons hierbij de hulp aangeboden van zijn Geest. De resulterende paradox van het christelijk geloof is dat het hiermee God niet opsplitst in drie onafhankelijk opererende Wezens, maar dat de Vader, de Zoon en de Geest één zijn. Dit voor het menselijk brein wiskundig niet te vatten geloofspunt is het basisaxioma van het christelijk geloof: Gods wezen overstijgt de beperktheid van onze menselijke ratio. De christen aanvaardt het mysterie van de Drie-eenheid van God en christenen uiten dit gemeenschappelijk geloof in het kruisteken.

De Kerk als lichaam van Christus

De christen heeft dus maar één Heer, die tegelijkertijd Gods vleesgeworden Woord en God zelf is, Schepper die leefde als Schepsel. De christen gelooft niet in de eerste plaats in geschriften, zoals de Bijbel, de Koran of de Thora, maar in een Persoon: De verrezen Mensenzoon. De katholieke Kerk gaat consequent verder in dit geloof: zij beschouwt zichzelf als het unieke lichaam van Christus. Uit deze vereenzelviging vloeit logischerwijze haar universaliteit voort, dewelke weergegeven wordt in haar benaming. Het Oudgriekse woord “katholikos” betekent universeel. Er is immers maar één Christus en de gemeenschap van de katholieke gelovigen is de voortzetting van zijn aardse tegenwoordigheid na zijn verrijzenis. Eén en dus universeel: iets anders kan de katholieke Kerk niet zijn. Al wat haar verdeelt is volledig in tegenspraak met haar wezen zelf.

Het verenigende leiderschap van de paus

Die wezenlijke universaliteit komt duidelijk tot uitdrukking in de manier waarop de katholieke Kerk is samengesteld en haar taak vervult. Zij heeft maar één hoofd, de opvolger van Petrus. Alle bisschoppen zijn in de geest verenigd met de bisschop van Rome, die het laatste woord heeft in belangrijke geloofszaken, evenals in de benoeming van nieuwe bisschoppen of hun eventuele afzetting in het geval hun woorden of daden niet in overeenstemming zijn met de continue leer van de Kerk. De unieke plaats van de paus in het katholicisme is de rots waarop Christus zijn Kerk vestigde. Wie daaraan twijfelt of het geestelijk gezag van de paus ondermijnt, kan zichzelf niet meer als een authentiek katholiek beschouwen of zich op een eerlijke wijze als dusdanig voordoen. Het geestelijk leiderschap van de paus is immers geen artificiële uitvinding van de Kerk zelf, maar beantwoordt zonder meer aan de wil van haar Stichter.

Het is van belang hier even dieper op in te gaan. Dat het leiderschap van Petrus effectief was en door Jezus gewild, wordt in verschillende evangelieteksten bevestigd. Aangezien Jezus zelf uiteraard de Leider was, is het duidelijk dat Hij dit deed met het oog op de toekomstige samenhang van zijn Kerk. Over de opvolging van Petrus bestaat nogal wat verwarring. Zij moet onderscheiden worden van de benoeming tot bisschop. Die gebeurt via een continue keten van handopleggingen die teruggaat tot de eerste apostelen. De keuze voor een nieuwe primaat of paus (= vader) gebeurt echter via een gezamenlijke beslissing van de voornaamste bisschoppen. De aldus verkozen paus wordt dan automatisch bisschop van Rome benoemd en niet omgekeerd; die benoeming is een secundaire kerkelijke beslissing op historische gronden, die niet van fundamenteel belang is. De Kerk heeft uiteraard behoefte aan een vaste residentie (Vaticaanstad in Rome) voor haar leiding, zoals elke staat aan een hoofdstad. Elke samenhangende (geloofs-)gemeenschap of natie beschikt over een centrale figuur (president, koning, paus …) die sommige knopen moet doorhakken en de eenheid waarborgen. In de anglicaanse kerk is dat zelfs nog een wereldlijke leider, de Britse vorst(in). Oecumenisch gezinde christenen van andere strekkingen beginnen die noodzaak ook aan te voelen. Recent riep de evangelische bisschop Ulrich Fischer op tot een erkenning van het ereprimaatschap van de paus.

Tot op zekere hoogte hebben onze lichaamsdelen een beperkte autonomie, maar die kan of mag niet leiden tot situaties die elkaar tegenspreken.  Alle onderdelen van een lichaam moeten beantwoorden aan eenzelfde algemene doelgerichtheid. De ene hersenhelft kan niet iets willen of denken dat de andere hersenhelft tegenspreekt, zonder dat dit tot ernstige psychologische problemen of vormen van schizofrenie leidt. Het ene been kan niet in een andere richting gaan dan het andere, want dit zou ernstige lichaamsschade tot gevolg hebben. Op dezelfde wijze is er binnen de Kerk een redelijke marge voor autonoom handelen, denken en geloven. Maar wanneer delen van de Kerk elkaar formeel tegenspreken over cruciale thema’s van de geloofsleer en –praxis, dan loopt het grondig fout. Als iemands overtuiging of levenswandel in formele tegenspraak is met de officiële kerkleer en belangrijke pauselijke uitspraken hierover, dan is zijn plaats elders, in een andere geloofsgemeenschap, al of niet van eigen makelij, maar zeker niet in de katholiek Kerk.

Belangrijkheid van het kerkelijk recht

De Kerk is geen allegaartje dat bijeengehouden wordt door mensen die er een stabiele status of functie in hebben bemachtigd, maar een gemeenschap van gelovigen die, eendrachtig in dezelfde leer, beantwoorden aan de wens van Christus: “Opdat allen één zijn, zoals U Vader en Ik één zijn”. Die wil tot eenheid werd van bij de aanvang van het christendom nagestreefd en intern gerealiseerd, o.a. via concilies die komaf maakten met geloofsdeviaties die als ketterijen werden bestempeld. Om die eenheid te bevorderen legde de Kerk steeds de nadruk op het belang van uniforme regelingen in veel aspecten van het katholiek leven, zoals de liturgie, de sacramentele gebruiken, de benoemingen, enz. Er werden canonieke regels uitgevaardigd die resulteerden in hetgeen we nu het “kerkelijk recht” noemen. Andere christelijke kerkgemeenschappen konden zich hier niet bij neerleggen en gingen hun eigen weg, maar allen zijn zij zich bewust dat dit niet overeenstemt met de wil van Christus.

De gemeenschappelijke liturgie als teken van universele verbondenheid

Het sleutelelement bij uitstek in het streven naar eenheid van de katholieke Kerk is ongetwijfeld de H. Mis. Daarin wordt herdacht hoe Christus zich vereenzelvigde met het lijden van de mensheid en zijn lichaam schonk ter vergeving van de zonden. Tijdens het Misoffer worden de gelovigen uitgenodigd om het lichaam van Christus te nuttigen en zich op die manier ook van hun kant met Hem te verenigen. Het Misoffer is dus de viering van de eenwording der gelovigen in Christus. Daarom acht de Kerk het des te belangrijker dat de H. Mis gecelebreerd wordt op een universele wijze waaraan alle gelovigen waar ook ter wereld deelachtig kunnen zijn, terwijl zij probleemloos de liturgische handelingen kunnen volgen.

Gedurende vele eeuwen was er daarom binnen de Rooms-katholieke Kerk hoofdzakelijk één liturgische taal, het Latijn, waarin de misviering plaatsvond. Die regeling had het nadeel dat zij ten koste ging van de geloofsverdieping, omdat heel wat gelovigen de betekenis van de gebeden niet begrepen. Zij bemoeilijkte ook het streven naar oecumene, de hernieuwde eenwording met andere christelijke gemeenschappen. Na het tweede Vaticaans concilie werd daarom de verplichting om het Latijn te hanteren afgeschaft. Maar redelijk recent werd, op wens van een deel van de gelovigen die de Latijnse ritus in de zogenaamde Tridentijnse mis als respectvoller beschouwen, deze laatste opnieuw ingevoerd als een goedgekeurde en volwaardige mogelijkheid tot misviering. Daarnaast bestaan nog enkele andere vormen van misviering, o.a. in de oosterse ritus, die van oudsher door de katholieke Kerk aanvaard zijn gebleven.

Juist omdat de Kerk universeel is en verenigend, is het van bijzonder belang dat de aanvaarde misliturgieën bepaald worden door uniforme regelingen, die leiden tot een goed herkenbare ritus, met een grote symbolische geloofswaarde. Priesters die deze universaliteit laten varen ter wille van eigengereidheid of een ongecontroleerde behoefte aan originaliteit, zondigen niet alleen tegen hun belofte tot gehoorzaamheid, maar doorbreken de eenheid en samenhorigheid die karakteristiek is voor de ware Kerk van Christus.  Het resultaat is dat de gelovigen een misviering krijgen aangeboden die eerder tot afscheiding dan tot vereniging leidt.  Meer dan eens kan de vraag gesteld worden of het hierbij nog over een H. Mis gaat in de katholieke betekenis van het woord. Sommige missen in onze parochies lijken meer op een plaatselijke creatieve groepsbelevenis, ten behoeve van een van Rome afgescheiden sekte, onder leiding van een zelfstandig opererende goeroe.

De rol van de priesters

Vanzelfsprekend spelen ook de priesters zelf een primordiale rol bij de opbouw in samenhorigheid en eenheid van de Kerk van Christus. Zij verpersoonlijken voor de gelovige gemeenschap stuk voor stuk Christus zelf. In elk van hen zouden wij meer dan een glimp van Hem moeten terugvinden. Dit gebeurt vooral als hun houding gekarakteriseerd wordt door nederigheid, geduld en luisterbereidheid wanneer het gaat over de noden van hun medemensen en door beslistheid, autoriteit en helderheid als het gaat over de geloofsverkondiging. De houding van een aantal van onze katholieke voorgangers wordt echter gekarakteriseerd door de omgekeerde combinatie. Alhoewel zij zich priesters noemen gedragen zij zich eerder als would-be sociale werkers en hun geloofspredicaties doen eerder denken aan politieke uiteenzettingen vol populistische uitspraken en slaapverwekkende algemeenheden. In plaats van hun medemensen de geestelijke wegen te tonen die naar God leiden, laten zij hen ronddolen in een leefwereld waarin enkel nog sprake is van materiële behoeftebevrediging.

De redenen voor het verplichte priestercelibaat

Een andere eenheidsbevorderende waarde in het leven van de katholieke Kerk, deze van het priestercelibaat, is vandaag de dag nogal omstreden. In onze oversekste leefomgeving vervult het vrijwillig en waardig gedragen celibaat van de geestelijken nochtans een belangrijke rol als genezend, bevrijdend en heiligend teken. Vanuit een menselijke optiek in tijden van priesterschaarste is het begrijpelijk dat een aantal priesters, die zelf trouw blijven aan hun celibaatgelofte, pleiten voor de afschaffing van deze voorwaarde verbonden aan hun kerkelijk ambt. Desondanks moet men vanuit een realistische visie op de kerkgeschiedenis tot het besluit komen dat deze verplichting zeer vruchtbaar is geweest, zodanig zelfs dat men gerust mag aannemen dat zij geïnspireerd werd door de H. Geest zelf. Het verplichte celibaat voor priesters is op de keper beschouwd een der beste verordeningen ooit van de Kerkleiding. Het is ten eerste een van de best denkbare hindernissen om niet zuiver gemotiveerde kandidaten te weren. Even belangrijk is het feit dat een celibatair veel onafhankelijker is dan een gehuwde. Daarom is hij veel moeilijker onder druk te zetten door kerkvijandige krachten en ziet hij zich niet voor dilemma’s geplaatst tussen zijn gezinsverplichtingen en zijn opdracht als herder van een kerkgemeenschap. (*)

Men kan nog andere voordelen opsommen verbonden aan de inzet van celibatairen, zoals het vermijden van vormen van nepotisme (onrechtmatige begunstiging van verwanten). Dit laatste vormde trouwens de voornaamste historische beweegreden voor het verplichte priestercelibaat. Maar deze kwestie reikt eigenlijk veel verder en dieper. Een goed priester is niet enkel een vertegenwoordiger van Christus, hij incarneert Hem tot op zekere hoogte. Daarom is een ideale priester iemand die zich, zoals Hij, “onhuwbaar gemaakt heeft ter wille van het Rijk der Hemelen”. Deze beslissing kunnen zowel vrouwen als mannen nemen. Maar, zoals volgens Gods plan enkel vrouwen kinderen kunnen baren en de grootsheid van het moederschap ervaren, zo kunnen enkel mannen in dienst van hun medemensen als priester Christus incarneren, Hij die waarlijk als mens onder ons geleefd heeft, in de gedaante van een ongehuwde man. Hij is de Hoeksteen van zijn Kerk en zijn priesters zijn de sluitstenen, die noodzakelijk zijn om geloofwaardig van de Kerk een harmonisch samenhangend universeel geheel te maken en dit zo te houden.

Laten we dus God danken voor de goede en trouwe priesters die Hij ons zond. Laten we bidden dat Gods Geest telkens weer nieuwe priesters inspireert, als ware profeten van hun tijd. Vragen wij ook om vergeving voor de priesters die “het beter weten” en meelopen met een andere geest: deze van hun tijd.

(*) Er bestaan natuurlijk ook heel wat argumenten tegen het priestercelibaat. Er wordt bv. beweerd dat dit de oorzaak zou zijn van de spijtige misbruikschandalen die de Katholieke Kerk teisterden. Dit kan gemakkelijk worden weerlegd, omdat die schandalen ook in andere geloofsgemeenschappen en andere sociale sectoren, zonder celibaatsverplichtingen, voorvielen. Het grootste percentage misbruiken (65 tot 85% volgens o.a. Child Focus) zou gebeuren binnen gezinnen. Een objectief nadeel is natuurlijk dat de celibaatsverplichting het aantal priesterkandidaten drukt. Maar ook dit is relatief, want westerse kerken zonder die verplichting kampen eveneens met een tekort aan kandidaat-voorgangers. De echte onderliggende redenen voor dit tekort liggen dus elders.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s