Een test-case: de Adamische Hypothese

Adam en Eva of het Monogenisme

Eigen vertaling uit Frans van het artikel gepubliceerd op 2 februari 1968 in Nouvelle revue théologique.

Er zijn twee theorieën over de oorsprong van de mens: polygenisme (progressieve evolutie binnen grote groepen individuen in het proces van hominisatie) en monogenisme (sprongsgewijze evolutie, tot het verschijnen van een nieuwe soort). Darwinistisch geïnspireerd polygenisme daagt bepaalde geloofswaarheden uit, terwijl het minder onderwezen monogenisme consistent is met het Bijbelse verslag van de Schepping. In dit artikel reageert professor Lejeune op de beweringen van R. Lavocat, paleontoloog en aanhanger van het polygenisme. Het polygenisme gaat uit van problematische hypothesen: in het bijzonder dat een nieuw, meer geëvolueerd individu de bekende “genetische barrière” tussen verschillende soorten kan overschrijden en dat zijn genetische modificaties niet verdunnen in zijn soort… Vanwege de moeilijke reproductieve omstandigheden (over het algemeen gerelateerd aan de mate van bloedverwantschap binnen de groep), zou de kans op succes des te groter zijn als de groep kleiner zou zijn: vandaar de hypothese van het monogenisme.

Het probleem van de menselijke oorsprong heeft paleontologen verdeeld sinds Klaatsch in 1910 de polygene theorie aankondigde, die Rosa en Montandon in de jaren twintig van vorige eeuw overnamen.

Onder de herhaalde klappen van specialisten zoals H. Vallois en Miss H. Alimen, werd deze theorie in zijn extreme vorm (polyfyletisme) verlaten en werden de verdedigers ervan in een terugtrekpositie gedwongen, die nog altijd polygenisme wordt genoemd. Kortom, deze theorie veronderstelt het bestaan van een kleine groep in een proces van geleidelijke hominisatie, waarbij de accumulatie van “kleine mutaties” sommige individuen tot op de drempel van de mensheid zou brengen, terwijl anderen nog steeds in het inframenselijke stadium zouden achterblijven. Geleidelijk aan wint het menselijke type en wordt het overheersend.

Een recent artikel presenteert deze visie als wetenschappelijk vaststaand, en verschillende theologische overwegingen, die zouden voortvloeien uit de geldigheid ervan, worden onderzocht.

Gezien het belang van het probleem, geloven we dat het essentieel is om te weten in hoever de genetica in overeenstemming kan zijn met de ene of de andere hypothese: polygenisme door groepstransformatie of monogenisme door het verschijnen van een paar.

Het begrip soort

Het geheel van de mensheid voldoet aan de genetische definitie van een soort: alle menselijke wezens hebben een gemeenschappelijk erfelijk erfgoed, dat hen tot mensen maakt en zij bezitten bepaalde eigenschappen, de “kleine mutaties”, die hen van elkaar onderscheiden, naargelang de wijze waarop die in elk individu zijn verzameld. Alle menselijke rassen kunnen onderling een nageslacht hebben en hun hybriden ook.

Deze biologische bloedverwantschap van leden van dezelfde soort wordt bepaald door de structurele identiteit van de chromosomen, kleine filamenten binnen de celkern en dragers van genetische informatie. De 23 paren van ons erfgoed zijn bij allen dezelfde, afgezien van de pathologische gevallen waarvan het belang ons hierna zal duidelijk worden.

De samenstelling van de chromosomen van een soort definieert haar beter dan gelijk welke taxonomische eigenschap, omdat zij de grenzen hiervan bepaalt.

Van de ene soort naar de andere is er geen uitwisseling van kleine mutaties mogelijk, zelfs niet als sommige kruisingen vruchtbaar zijn. Het muildier is bijvoorbeeld perfect levensvatbaar en in sommige opzichten zelfs superieur aan zijn nakomelingen, de ezel en de merrie, maar hij is steriel. Daarom kan het bepaalde eigenschappen die het van de ene ouderlijke groep heeft ontvangen niet doorgeven aan de andere.

Deze bekende observatie toont aan dat twee soorten niet alleen verschillen door vele kleine mutaties, maar dat zij ook worden gescheiden door een genetische barrière.

De ezelchromosomen lijken op die van het paard, maar heel wat verschillen maken het gemakkelijk om ze te herkennen. Het is zelfs mogelijk om in de muilezel- of muildiercellen de “ezel-” en de “paard-” chromosomen te identificeren, die zijn gecombineerd in de hybride. De steriliteit van de laatste komt precies voort uit deze verschillen tussen de chromosomen; ze kunnen namelijk niet twee aan twee gekoppeld worden om evenwichtige geslachtscellen aan te maken, die elk precies de helft van het genetische erfgoed van de soort bevatten.

De soortvorming door kleine mutaties

Aangezien de levensvatbaarheid van de hybride aantoont dat de accumulatie van kleine mutaties niet genoeg is om de ezel van het paard te scheiden, kan de polygenetische theorie van een groep ezels “in een proces van equinisatie (paardwording)” niet worden volgehouden zonder veel aanvullende hypothesen.

Men ziet duidelijk dat in zulke groep “in een proces van equinisatie” de kleine mutaties niet tot het paard kunnen leiden, omdat de genen van een nog onvolmaakt paard in de chromosomen van de ezels verdund zouden worden, en omdat zij zich daarenboven niet kunnen bestendigen vanaf een enkel, verondersteld succesvol paard, vanwege de onmogelijkheid van genetische uitwisselingen tussen deze twee soorten.

Vandaar deze doorslaggevende opmerking: als de kleine mutaties al het verschil zouden uitmaken, zouden er alleen “ezelpaarden” zijn en geen ezels en paarden.

Het is daarom absoluut noodzakelijk dat de natuur met sprongen vooruit gaat. We zien die trouwens elke dag in de menselijke pathologie, zelfs als sommigen van hen ons misstappen lijken te zijn.

Chromosomale afwijkingen

Bij de geboorte heeft één op de 100 kinderen een chromosomale afwijking. Het belang van dit cijfer, een paar jaar geleden nog totaal onvermoed, laat ons zien welke prijs elke generatie betaalt voor de fouten van de chromosomale mechanica, en onthult ons tegelijkertijd welke “evolutionaire druk” er steeds in reserve is in een soort.

We zullen een zeer groot aantal waarnemingen voldoende samenvatten door te stellen dat, wanneer er een chromosoom te veel is, de morfologische ontwikkeling van het kind in een bepaalde richting wordt afgebogen, terwijl, als datzelfde gedeelte van het erfgoed ontbreekt, de ontwikkeling in de tegenovergestelde richting wordt gestuurd. Voor een taxonomist betekent dit dat veel van de eigenschappen van het individu in bulk worden veranderd door één enkele gebeurtenis.

Deze excessen of tekoreten aan chromosomen zijn over het algemeen zeer ongunstig en kunnen zich nauwelijks in een soort vestigen.

Niets belet echter te veronderstellen dat sommige nieuwe combinaties superieur kunnen zijn aan het algemeen voorkomende model.

De soortvorming door chromosomale veranderingen

Uitwisselingen tussen chromosomen, zonder verlies of winst van genetisch materiaal, kunnen in eenzelfde populatie voorkomen, hoewel de vruchtbaarheid van kruisingen tussen dragers en niet-dragers (van veranderingen) kleiner zal zijn.

Het is heel aanneembaar dat de accumulatie van een aantal van deze wijzigingen, binnen eenzelfde afstammingslijn, deze uiteindelijk zou isoleren van de rest van de soort, vermits elke wijziging de vruchtbaarheid van de kruisingen verder zou verminderen.

Het zou echter hoogst onwaarschijnlijk zijn dat toevallige wijzigingen altijd evenwaardig zouden zijn. Onvermijdelijk komen er verliezen of winsten voor en we hebben zojuist gezien dat deze omissies of herhalingen van bepaalde delen van de erfelijke boodschap de taxonomische eigenschappen veel diepgaander veranderen dan kleine mutaties.

Opdat een nieuwe soort zou kunnen ontstaan en zelfstandig worden, is het dus noodzakelijk dat de samenvoeging van de structurele veranderingen en de effecten van gendosering de reproductieve moeilijkheden overwint die voortvloeien uit hun onvermijdelijke confrontatie.

De complexiteit van deze interacties vereist de grootst mogelijke voorzichtigheid bij het gebruik van de klassieke vergelijkingen van de evolutionaire genetica, omdat deze wetten alleen rekening houden met de diversiteit van rassen binnen dezelfde soort. Het lijkt nochtans redelijk om te accepteren dat de waarschijnlijkheid van homogenisatie verband blijft houden met de mate van bloedverwantschap binnen de groep. In die omstandigheden zou de kans op succes des te groter zijn als de groep kleiner zou zijn. Het is bijgevolg niet meer dan normaal om te onderzoeken of het borderline-geval, van een groep die tot zijn eenvoudigste vorm is gereduceerd, deel uitmaakt van de mogelijke oplossingen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s