Een test-case: de Adamische Hypothese

De soortisolatie uitgaande van een koppel

Om een idee te geven van deze mogelijkheid, nemen we het eenvoudigste herontwerp, goed bekend in onze soort: de fusie van twee chromosomen in één. Elke normale mens heeft twee kopieën van het chromosoom 13. Als deze twee staven aan elkaar lassen om slechts één element te vormen, zal het individu dat deze nieuwigheid draagt slechts 45 chromosomen hebben in plaats van de gebruikelijke 46. Het zal echter volkomen normaal lijken, omdat het de volledige genetische informatie bevat in zijn twee aaneengelaste chromosomen 13. Maar anderzijds kan dit ene chromosoom 13 13 zich bij het maken van de voortplantingscellen niet ontbinden en migreert het daarom naar een van de geslachtscellen, terwijl de andere geen chromosoom 13 ontvangt.

Aangezien de bevruchting door een normale geslachtscel een kopie van elk paar oplevert, zijn de twee mogelijke soorten kinderen niet levensvatbaar.

-ofwel bevat de primordiale cel een normale 13 en een 13 13, dus in totaal drie chromosomen 13, hetgeen een misvorming meebrengt die onverenigbaar is met het leven (trisomie 13).

-ofwel bevat de primordiale cel slechts één chromosoom 13, een combinatie die embryonale ontwikkeling niet mogelijk maakt.

Dit type herontwerp kan dus niet worden vastgelegd vanuit één enkele drager.

De situatie is helemaal anders als er een paar bestaat, van verschillend geslacht natuurlijk, gemarkeerd met dezelfde eigenaardigheid.

Aangezien zij beiden geslachtscellen vormen die ofwel 13 13 dragen, ofwel helemaal geen 13, kunnen drie soorten kinderen worden verwacht:

-ofwel ontmoeten twee cellen met chromosomen 13 13 elkaar en zijn er dan vier chromosomen 13 in plaats van de normale twee. Deze combinatie is nog erger dan de trisomie 13.

-ofwel ontmoeten twee cellen zonder chromosomen 13 elkaar. Het product, dat geen chromosoom 13 heeft, kan zich niet ontwikkelen, vermits één 13 al onvoldoende is.

-ofwel ontmoet een cel met het chromosoom 13 13 een cel zonder chromosoom 13. Het product is dan volledig normaal en identiek aan zijn ouders.

Vanuit dit paar is dan een nieuwe “soort” geïsoleerd: de kinderen zijn identiek aan hun ouders, ze zijn onderling vruchtbaar, maar kunnen geen enkel gen uitwisselen met de voorouderlijke stam waaruit ze net zijn voortgekomen.

Het volstaat dat deze laatste fusie tussen chromosomen 13 gepaard gaat met een doseereffect, d.w.z. dat er ook nog een segment te veel of te weinig is, om ook de taxonomische kenmerken te veranderen, zodat deze nieuwe soort herkenbaar wordt, zowel voor de geneticus als voor de taxonoom, de fokker en de morfoloog.

Ontstaan van het oorspronkelijke paar

Opdat deze soortvorming aannemelijk zou zijn, mag het plotse verschijnen van het mutantenpaar niet volledig onwaarschijnlijk zijn.

Het soort primaire voorval dat hier als voorbeeld werd genomen, is niet absoluut uitzonderlijk. Desondanks, opdat twee individuen tegelijkertijd dragers zouden zijn, gedurende dezelfde generatie en in een redelijke geografische nabijheid, moet de primitieve frequentie hiervan door vele factoren worden verminderd en zou ze zelfs onbeduidend kunnen worden.

Sommige biologische verschijnselen, die onlangs zijn waargenomen, bieden een begin van antwoord op deze moeilijkheid, bijvoorbeeld het bestaan van identieke tweelingkoppels van verschillend geslacht (heterokaryote monozygotisme).

Het mechanisme hiervan is als volgt:

Een mannelijk bevrucht ei deelt zich in twee embryo’s, waarvan er één zich normaal ontwikkelt tot een mannelijk individu. De andere, die zijn Y-chromosoom heeft verloren tijdens de scheiding, krijgt een vrouwelijk aspect. Het resulterende individu is heel precies een fragment van het mannetje waaruit het is geboren.

Dit soort buitengewoon tweelingschap is natuurlijk zeer zeldzaam, maar er zijn verschillende voorbeelden van gekend, waarin een van de individuen onvruchtbaar was.

Men kan de waarschijnlijkheid van het verschijnen van zo’n volledig succesvol paar niet inschatten, maar de halve mislukkingen die we waarnemen suggereren dat een dergelijk fenomeen geenszins onmogelijk is.

De Adamische Hypothese

De gegevens van de menselijke cytogenetica zijn nog steeds te fragmentarisch om het bovenstaande schema als een voltooid model te kunnen beschouwen.

Deze enkele reflecties tonen echter aan dat de hypothese van het oorspronkelijke mensenpaar het zeer waardevolle voordeel heeft dat het kan worden beschreven in termen van direct analyseerbare chromosomale gebeurtenissen.

Bovendien vereist dit mechanisme van het behoud van de effecten van genetische dosering niet dat elk van de tussenstappen noodzakelijkerwijze gunstig is geweest.  

Tot slot moet duidelijk worden ingezien dat polygenisme en monogenisme op een belangrijk punt tegenover elkaar staan. In de groepstheorie zouden de mensen afstammelingen zijn van ongelijke primaten die door mutatie en selectie geleidelijk aan gelijksoortig werden gemaakt. In de hypothese van het eenmalige paar zijn alle mensen directe verwanten, zowel in de eerste plaats als helemaal.

Hoe kunnen we de enige biologische evidentie verwaarlozen die ons is gegeven: de volledige bloedverwantschap van de mensen?

Jerome LEJEUNE

Hoogleraar genetica. Faculté de Médecine aan de Universiteit van Parijs

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s