Een test-case: de Adamische Hypothese

Situering van het probleem

Dit artikel van de beroemde professor is meer dan 50 jaar oud en intussen is de wereldschat aan menselijke kennis flink wat aangegroeid. De studie van het menselijk genoom was in zijn tijd al goed op gang gekomen, maar de toenemende mogelijkheden van de informatica hebben sindsdien ook de genetica een flinke boost gegeven. Van deze wetenschappelijke evolutie heeft Prof. Lejeune niet meer kunnen genieten, om zijn ideeën te verfijnen en waar nodig aan te passen.

Algemeen gesproken heeft de mens een zekere neiging tot binair denken (“iets is zo, of niet zo”), of complexe materies te reduceren tot een overzichtelijk aantal mogelijkheden. Ook befaamde onderzoekers ontsnappen hier niet aan, hetgeen leidt tot steriele wetenschappelijke disputen, zoals in het hier behandelde geval. De toenemende kennis van de menselijke prehistorie toont aan dat zij enerzijds uitermate complex is en anderzijds veel hiaten vertoont, waardoor de kansen groot worden om in doodlopende (en veelal ideologisch gekleurde) straatjes met enkele richting terecht te komen.

Zoals blijkt uit de inleiding van het hier behandelde artikel, had de toenmalige wetenschappelijke wereld vooral oog voor twee mogelijkheden: monogenisme versus polygenisme (1). Tussenwegen werden blijkbaar niet voor mogelijk gehouden. Bovendien kadert deze discussie in het meer algemene debat over de “descent of man”, waarin het darwinisme een haast doctrinaire status verwierf, die niet bepaald gunstig is voor serene en vruchtbare uitwisselingen. Het is duidelijk dat het polygenisme veel beter past in een klassiek darwinistisch denkpatroon dan de sprongsgewijze evolutie die Prof. Lejeune meer aannemelijk achtte. Alle aandacht wordt op die manier naar twee tegenstrijdige tunnelvisies gezogen, die geen van beiden bevredigende wetenschappelijke oplossingen aanreiken.

De wetenschappelijke stand van zaken

Laten we eerst eens kijken naar de laatste stand van zaken, zowel op genetisch als op paleoantropologisch vlak. Mijn ex promotor aan de KUL, Prof. Em. Pierre M. Vermeersch, publiceerde een handig overzicht van de menselijke evolutie (2). De oudste bekende resten van de anatomisch moderne mens zijn hierin afkomstig uit Ethiopië en worden gedateerd op 150 tot 160.000 BP. Uit het genetisch onderzoek bleek in eerste instantie dat onze recentste gemeenschappelijke voorouder in de mannelijke lijn – of de “Y chromosomale Adam” (Y-MRCA) (3) – tussen 60 à 90.000 jaar geleden zou hebben geleefd. Nieuw onderzoek vanaf de jaren 2010, o.a. van het DNA van een Afro-Amerikaanse man, verhoogde de ouderdom van de Y-MRCA tot ongeveer 200.000 BP. De “mitochondriale Eva” (onze recentste gemeenschappelijke voormoeder) zou volgens de laatste berekeningen ongeveer in dezelfde periode hebben geleefd.

Beide laatste dateringen zijn dus compatibel met de datering van de fossiele mensenresten die in Ethiopië werden gevonden. Hierbij dient opgemerkt dat de resultaten van genetische studies grove benaderingen zijn, o.a. gebaseerd op de momenteel als aanvaardbaar beschouwde hypotheses over de mutatiesnelheden binnen het menselijk erfelijk materiaal. Daarnaast is het ontegensprekelijk dat er vóór en na het ontstaan van de anatomisch moderne mens nog andere met deze mens verwante soorten en ondersoorten hebben geleefd. Een voorbeeld hiervan is de vondst in 2003 van de kleine Flores mens, een dwergsoort afkomstig van de Homo Erectus, die misschien pas 50.000 jaar geleden zou zijn uitgestorven.

Maar in deze eerder verwarrende hoeveelheid nieuwe vondsten, onderzoeksresultaten en controversiële besluiten, blijft er één constante overeind: de zogenaamde “culturele explosie”, waarin taal, bewustzijn, religie, kunst en wetenschap ontstaan. Zij wordt ook de “oerknal” van de menselijke cultuur genoemd, wegens het abrupte karakter ervan en de verstrekkende veranderingen in de menselijke levenswijze die zij teweegbracht. De aanvang hiervan valt grosso modo samen met de aanzet tot de tweede menselijke migratiegolf vanuit Afrika. Goed gedocumenteerde archeologische vondsten tonen aan dat die verliep via de Nijlvallei, het Sinaï schiereiland, of via het Arabisch schiereiland, en dan uitwaaierde over het Nabije Oosten, naar Europa, enz.  Men schat dat die exodus 90.000 à 60.000 jaar geleden op gang kwam.

Zoals hiervoor aangegeven, werd de datering van de Y-MRCA, vóór de laatste nieuwe bevindingen, ongeveer in dezelfde periode gesitueerd. Die eerste berekening was een waardevol resultaat, want zij was gebaseerd op stalen van een representatief percentage van de actuele wereldbevolking. De nieuwe cijfers, met veel oudere dateringen, houden daarenboven rekening met geïsoleerde populaties (o.a. uit Kameroen aan de kust van West- Afrika), ver van het centrum van de culturele “big bang”, waar een oudere tak van het Y chromosoom bewaard is gebleven. We mogen we er redelijkerwijze van uitgaan dat al deze randgevallen op een of andere manier zijn verbonden zijn met de rest van de menselijke populatie via moederlijke afstammingslijnen, zodat we de ganse huidige mensheid als één grote familie kunnen beschouwen.

Past de Bijbelse Adam nog in het wetenschappelijk plaatje?

De Bijbelse Adam wordt beschreven als iemand die met God in contact stond, planten en dieren benoemde, de “Tuin van Eden” bewerkte en de eerste voorouder der mensen was. Dat maakt hem tot een geschikte kandidaat om aan de oorsprong te liggen van de voornoemde culturele explosie. Daarenboven tonen de archeologische vondsten aan dat de tweede en ditmaal meer succesvolle verspreiding buiten Afrika van de moderne mensen langs de hiervoor vermelde weg heeft plaatsgevonden (elders waren er moeilijk of niet te passeren zee barrières). In de Noordoost hoek van Afrika bevond zich een “flessenhals” langs dewelke geïsoleerde groepen van de moderne mens op gunstige tijdstippen het Afrikaanse continent konden verlaten, zoals dit voordien ook al door de homo erectus en andere populaties was gebeurd.

In die periode leefden er dus verschillende menselijke bevolkingsgroepen binnen en buiten Europa (o.a. de Neanderthalers), waarvan er één klaarblijkelijk de motor is geweest van de culturele explosie en deze groep heeft een vlugge expansie gekend, zowel binnen Afrika als daarbuiten. Gaandeweg nam de nieuwe bevolkingsgroep de plaats in van al de andere menselijke populaties, of heeft hij die opgeslorpt door genetische vermenging. De datering van de aanvang van dit proces klopt met de geconstateerde nogal hoge percentages van genetische vermenging: in Europa tot 4% met neanderthalers en tot 6% in het Verre Oosten met Denisova mensen. Deze cijfers zijn heel hoog als men de zeer geringe densiteit van deze twee bevolkingen in aanmerking neemt. De vermengingen moeten dus redelijk vlug na het ontstaan van het nieuwe “culturele” mensentype hebben plaatsgevonden, toen de groep van dit type enerzijds nog minder talrijk was, terwijl er anderzijds nog een redelijk grote kans was op ontmoetingen met de nadien verdwenen mensensoorten.

Het bijzondere aan deze geheel nieuwe ontwikkeling, die als de feitelijke aanvang van de menselijke culturele geschiedenis mag beschouwd worden, is dat dit “nieuwe moderne mensenras” (als we het zo mogen noemen) anatomisch weinig of niet verschilde van zijn Afrikaanse soortgenoten. De anatomische studie van hun toevallig teruggevonden skeletresten helpt ons bijgevolg niet vooruit als middel om hen te onderscheiden binnen het geheel van de toenmalige menselijke individuen of groepen en hen op die manier te identificeren als onze meest rechtstreekse voorouders.

Ook genetisch zijn de verschillen uiterst miniem, maar dit betekent helemaal niet dat de gevolgen hiervan niet opzienbarend groot kunnen zijn. Het verschilpercentage tussen het menselijk genetisch materiaal en dat van de bonobo is bv. maar 1,3 %. Maar de daaruit resulterende verschillen in anatomie en levenswijze zijn veel groter dan deze tussen bonobo’s en chimpansees, waarvan het genetisch verschil 1,4 % bedraagt. Algemeen wordt aangenomen dat talenten, muzikale bv., een voornamelijk erfelijke oorsprong hebben. Maar welke genen of genencombinaties daarvoor verantwoordelijk zouden zijn, is blijkbaar nog niet geweten. Toch is het is duidelijk dat deze minieme verschillen in hun erfelijk materiaal voor het leven van de betrokken individuen “een wereld van verschil” kunnen maken, zonder dat daar weinig of niets van te merken is in hun anatomie, en (voorlopig?) ook niet in hun erfelijk materiaal.

Volgens recente onderzoekingen bij muizen (4) kunnen zelfs trauma’s genetisch overgeërfd worden. Men spreekt in dit verband van “epigenetische markeringen”. De vragen over de manier waarop onze DNA moleculen erin slagen om zulke enorme hoeveelheid gedetailleerde informatie adequaat over te brengen, zal de genetica ongetwijfeld nog lang bezig houden. Maar intussen kunnen de hiervoor aangehaalde vaststellingen ons helpen begrijpen waarom discussies, zoals de hier behandelde, vastliepen in patstellingen.

Een mogelijke tussenoplossing voor de tweespalt

Prof. Lejeune ging ervan uit dat een macromutatie noodzakelijk was voor een “sprong” naar een nieuwe mensensoort. Om dit mogelijk en aannemelijk te maken kon die mutatie enkel vastgelegd worden door de genetische vermenging van een sterk verwant mensenpaar met dezelfde nieuwe eigenschappen, gevolgd door de succesvolle doorgave hiervan aan volgende generaties. Die sprong bleek echter te hoog gegrepen, want de beroemde geneticus moest toegeven dat hij tot infertiliteit zou leiden. Daarmee werd echter over het hoofd gezien dat genetisch en anatomisch schier onmerkbare mutaties – in het bijzonder die met betrekking tot ons centraal zenuwstelsel -verstrekkende gevolgen kunnen hebben. In casu leidde dit tot een explosieve “culturele revolutie”, door een zeer beperkte groep mensen beschikkend over superieure verstandelijke eigenschappen. Het waren zij die de aanzet gaven tot de geestelijke en culturele geschiedenis van de mens.

Vermits deze enorme evolutionaire sprong niet gebaseerd was op een grote genetische verandering of macromutatie, kon hij redelijk gemakkelijk ontstaan en doorgegeven worden binnen een relatief kleine en afgescheiden “groep” van sterk verwante individuen. Die zou men dan in zijn geheel als de nucleaire familie van “eerste volledig moderne mensen” kunnen beschouwen, waarmee de tweespalt tussen de monogenetische en de polygenetische hypotheses min of meer overbrugd wordt. Die aanname spreekt de historiciteit van een individuele Adam niet tegen, want deze kan dan geïdentificeerd worden als de “alfa man” of leider van die kerngroep. Dit leiderschap was vanaf dan ook niet meer voornamelijk gebaseerd op mannelijke martiale competenties, maar de nadruk kwam te liggen op culturele capaciteiten, zoals wijsheid, religieus inzicht, ervaring, leiderskwaliteiten, organisatorisch vermogen, enz. In latere tijden kwamen daarom ook vrouwen hiervoor in aanmerking, maar gaandeweg kregen ook negatieve elementen de overhand, zoals wreedheid, heerszucht, corruptie, nepotisme, …

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s