Geloof, mythe en werkelijkheid in creationisme en evolutietheorie.

DEEL I: De scheppingsverhalen, gelovig en realistisch bekeken

Inleiding

 Het creationisme staat wereldwijd nog redelijk zwak, maar schijnt langzaam maar zeker veld te winnen (ook in intellectuele kringen). Waarschijnlijk zullen heel wat gelovige christenen zich hierover verheugen, maar ik wens hier van meet af aan duidelijk te stellen dat het gevaar groot is dat zij in de bedrieglijke val van een “vals fundamentalisme” worden gelokt.

Anders dan de gangbare mening, beschouw ik sommige vormen van “fundamentalisme” als positieve cultuurbijdragen, die in een vreedzame dialoog met andersdenkenden verruimend en verrijkend kunnen werken. Het vals fundamentalisme daarentegen is een vorm van fanatisme dat de nadruk gaat leggen op de letter in plaats van op de geest van voorschriften en teksten en dat de aandacht verlegt naar details en strijdpunten die bij nadere beschouwing geen wezenlijk belang hebben.

Als oudheidkundige heb ik gedurende enige jaren gedoceerd over de evolutieleer. In het hiernavolgende tracht ik enkele misvattingen recht te zetten vanuit een persoonlijke visie over dit zeer controversieel onderwerp. In de eerste plaats worden de godsdienstige of exegetische standpunten beoordeeld en nadien wordt de wetenschappelijke waarde van de creationistische en de darwinistische argumentatie afgewogen.

Aangezien het hier besproken onderwerp zo verreikend en complex is, heeft het weinig zin hierover enkele laconieke opmerkingen neer te schrijven. Sommige passages met een overwegend wetenschappelijk karakter zullen misschien minder gemakkelijk te verteren zijn voor lezers die minder vertrouwd zijn met de besproken materie. De hier gepubliceerde tekst is gebaseerd op een artikelenreeks van mijn hand in het voormalig godsdienstig tijdschrift Paradox, jg. 8, 3-6 en jg.9, 1 (1999).

Geloof en wetenschap

Met deze beide domeinen waarop het menselijk denken zich beweegt is het een beetje gesteld zoals met de scheiding tussen de bevoegdheden van kerk en staat: theoretisch lijkt het niet zo moeilijk om ze duidelijk af te bakenen, maar in de praktijk is het soms niet duidelijk op welk terrein men zich bevindt. Een der oorzaken hiervan is de neiging van ons verstand tot vereenvoudiging, hetgeen enerzijds helpt om ons intellect dynamischer te maken, maar anderzijds leidt naar oppervlakkigheid en een gevaar voor begripsverwarringen.

Geloof en wetenschap reiken ons allebei elementen aan om de werkelijkheid beter te vatten. De wetenschap levert ons inzichten over de uiterlijke of waarneembare aspecten, met vragen van het type “hoe? waar? en wanneer?”. Daartegenover bevredigt het geloof onze dorst naar een veel fundamenteler kennisgebied en reikt het ons antwoorden aan op vragen van het type “waarom?”, die ons iets mededelen over het innerlijke en de zin van de werkelijkheid.

In het geloof zoeken wij als tijdsgebonden mensen contact met God, die boven en buiten de tijd staat, die Hij zelf heeft geschapen en waarop Hij vrijelijk kan ingrijpen. Ons redeneervermogen kan zich echter geen tijdloosheid inbeelden of er iets zinnigs over zeggen, zelfs extreem lange of korte tijden zijn voor ons niet te vatten. Onze hersenen hebben daarenboven zelf tijd nodig om iets te verwerken of te begrijpen en na verloop van tijd vergeten we heel wat dat niet regelmatig herhaald wordt.  Om iets van Gods wezen of van zijn scheppende handelingen te begrijpen kunnen we dus met onze intellectuele capaciteiten niet zoveel aanvangen, als we geen beroep doen op een tijdloze innerlijke logica die de Schepper in ons heeft gegrift.

Bijgevolg is het niet verwonderlijk dat de kloof die de creationistische en evolutionaire visies scheidt in essentie een tijdskloof is. De evolutieleer beroept zich op wetenschappelijke – dus tijdsgebonden – waarnemingen en goochelt met miljoenen jaren. Het creationisme baseert zich op de Bijbel, een godsdienstige tekst die ons onderwijst over de eeuwige en tijdloze waarden en waarheden die de werkelijkheid bezielen en beheersen, en gaat uit van Bijbelse teksten om de ouderdom van al het bestaande tot enkele duizenden jaren te reduceren.  

Wanneer de evolutietheorie zelf evolueert van een wetenschappelijke hypothese naar een evolutiedogma, of wanneer men aan de Bijbelse scheppingsevocatie een wetenschappelijke status geeft, dan verzeilt men in beide gevallen in een verraderlijk moerassig niemandsland. Men kan de wetenschappelijkheid immers in twee richtingen verkrachten: ofwel haar misbruiken ten dienste van een doctrine, ofwel een vooropgestelde “waarheid” op een geforceerde wijze met wetenschappelijkheid bekleden. Zuivere positieve wetenschapsbeoefening concentreert zich enkel op herhaalbare experimenten en met de menselijke zintuigen waarneembare en controleerbare feitelijkheden.

Laten wij eerst eens nagaan wat wij in dit kader op een verstandsmatige, dus wetenschappelijk verantwoorde wijze kunnen zeggen over:

De bijbel en het boek Genesis

Vanuit een christelijke visie is de Bijbel de verzameling van teksten van door God geïnspireerde schrijvers, opgetekend en doorgegeven door Israëlieten, Joden en tenslotte de christenen.

Het basisboek van ’s werelds grootste godsdienstige gemeenschap wordt in exegetische uiteenzettingen regelmatig in verband gebracht met oosterse mythes, zoals bv. het Gilgamesh- en het Enoema Elisj- epos, evenals met opvattingen en gebruiken bij de volkeren die Israël omringden. Nochtans heeft de Bijbel in zijn geheel een uniek en eerder realistisch karakter. De passages met een mythische stijl situeren zich vooral in de gedeelten die het verste verleden behandelen. Hoe recenter de verhalen, hoe realistischer en gedetailleerder de beschrijvingen worden. Maar zelfs de scheppingsverhalen hebben een stijl die niet voor honderd procent als mythologisch kan omschreven worden.

Bij de beoordeling van een tekst moet men in de eerste plaats uitgaan van de bedoeling ervan. De Bijbelteksten zijn wel over het algemeen in een realistische stijl opgesteld en kunnen dus m.i. niet zomaar als mythes worden afgedaan, maar evenmin mogen wij ze als geschiedkundige verslagen behandelen. Een “geschiedkunde” in de moderne zin van het woord, met wetenschappelijk aanvaarde objectiviteitscriteria, was in die tijden onbekend. Weinigen konden toen schrijven en bij het schrijven had men een concreet praktisch, ideologisch of verhalend doel voor ogen.

Elke ernstige Bijbelstudie, gelovige of niet, moet concluderen dat de hoofdbedoeling van de schrijvers er niet in bestond om een afstandelijk chronologisch relaas van gebeurtenissen uit het verleden van hun volk te geven, maar wel om ons iets te vertellen van het transcendente Opperwezen waarvan zij de naam niet luidop mochten of durfden te vernoemen. In hun teksten wordt Hij als YHWH geschreven. Waarschijnlijk moet deze benaming als Jahwe worden uitgesproken, wat betekent “Hij is” (zie ook Gods openbaring in Exodus 3,14: “Ik ben die (Ik) ben”). Vooral in de relatie tussen deze enige God en de mensen – en meer in het bijzonder met hun eigen uitverkoren volk – waren de Bijbelse auteurs geïnteresseerd, en daar handelt dus het ganse boek over.

De opstellers van de Bijbelteksten brachten hun boodschap zoveel mogelijk op basis van concrete gebeurtenissen uit de oorspronkelijk grotendeels mondelinge overlevering van hun voorouders. Wanneer zij het hadden over de vroegste tijden, werden de beschikbare gegevens zo schaars en vaag, dat zij noodgedwongen beroep moesten doen op een meer mythologische verhaaltrant. Hierdoor kregen de concrete feiten een grotendeels symbolisch karakter.

Een mythe kan men een beetje vergelijken met een droom: elementen van tijd en ruimte worden dooreengemengd, zodat de grenzen van het mogelijke worden verschoven, maar het aldus ontstane verhaal kan ook de subtiele drager van een boodschap zijn. De mythe heeft ook soms iets van een kunstwerk, waarvan de maker het aan de kunstliefhebber of commentator overlaat om eruit te distilleren of te decoderen wat hij er precies mee wou uitdrukken. De Bijbelse scheppingsverhalen zijn niet alleen droom en kunstwerk naar de vorm. Zij handelen over de diepste waarheden verzonken in Gods droom met de mensheid en over het ontzaglijk kunstwerk dat Hij heeft geschapen.

Het overwegend mythologisch karakter van de scheppingsverhalen blijkt niet alleen uit de stijl en vormgeving ervan, maar ook uit de concrete voorstellingen en de gehanteerde chronologische volgorde. De eerste scheppingsdaad van God bestaat erin het licht van de duisternis te scheiden en op die basis een “dag” te creëren, terwijl Hij pas op de vierde dag de zon schept, zonder dewelke een “dag” als tijdsspanne niet bestaat. Op de zevende dag “rustte” God, alhoewel het beeld van een vermoeide God toch moeilijk verenigbaar is met dat van een almachtige en tijdloze Schepper. In het eerste scheppingsverhaal schept Jahwe eerst de dieren en daarna de mens als man en vrouw. In het daaropvolgende schept Hij eerst Adam, dan de dieren en vervolgens de vrouw.

Een verbazingwekkend aspect van het eerste hoofdstuk van Genesis vormen de aangehaalde scheppingselementen, die wanneer men de volgorde ervan herschikt, probleemloos gebruikt kunnen worden in een vereenvoudigd beknopt overzicht van de actueel gangbare standpunten over het ontstaan van de kosmos, de aarde en de evolutie van de eerste levensvormen. Dat een eenvoudig rondzwervend herdersvolk drager kon zijn van een kennis en wijsheid die ver uitsteekt boven hetgeen ons werd nagelaten via de literatuur van de grote culturen die het omringden, moet voor menig rationalist een onverklaarbaar mysterie zijn.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s