Geloof, mythe en werkelijkheid in creationisme en evolutietheorie.

Evolutietheorie (vervolg)

– Een alternatieve kijk op evolutie

Het selectiemechanisme leidt wel tot een zekere “specialisatie” en specialisatie is iets wat evolutie eerder tegenwerkt, alhoewel de nieuw gevormde soort vervolgens wel een afzonderlijke deelevolutie naar een hogere communicatieve en cognitieve trap kan meemaken. Met specialisatie wordt bedoeld dat een levensvorm specifieke attributen of gedragingen ontwikkelt om zich te beschermen (bv. een hoornachtig schild of stekels), of om aan te vallen (bv. klauwen, tentakels), of voort te planten (bv. het maken van een nest), enz. De keerzijde van de gespecialiseerde aanpassing is dat de betrokken levensvorm aan “algemeenheid” inboet en zich bijgevolg niet meer of moeilijker kan aanpassen als de milieuomstandigheden tegengestelde eigenschappen bevordert of vereist.

Eenmaal dat het specialisatieproces ver genoeg gevorderd is, is het zo goed als onomkeerbaar. Dit wordt uitgedrukt in het principe van Dollo, genaamd naar de Belg uit de negentiende eeuw die deze wetmatigheid het eerst onderkende. We kunnen dit misschien best toelichten met een voorbeeld uit de technologie. Als men bv. zou trachten een straalvliegtuig in stapjes om te bouwen tot een onderzeeër, terwijl de nieuwe modellen continu het transport over de oceaan moeten blijven verzekeren, dan zou het wrakkenbestand van de oceaanbodem al vlug met karkassen van de nieuwe constructies aangevuld worden. Een goed voorbeeld van de moeilijkheden die evolutionaire aanpassingen in de praktijk meebrengen vindt men in het gebit van onze actuele bevolking. De gemiddelde omvang der kaaksbeenderen is gedurende de laatste millennia gereduceerd, terwijl het tandvolume ongeveer hetzelfde bleef, met als gevolg tandpijnen, opgeofferde kiezen, tandbeugels, enz.

We mogen dus besluiten dat levende wezens moeilijk of niet van de ene gespecialiseerde vorm naar de andere kunnen overstappen, alhoewel dit in het kader van pseudo-evolutionaire bedenksels soms wordt gesuggereerd. Vermenging van twee bestaande soorten is ook niet mogelijk, gezien de al vermelde genetische barrière, die eveneens een onherroepelijk karakter heeft. Desondanks zien we dat ook in dit geval materialistisch gedeformeerde geleerden zich niet bij de natuurwetten kunnen neerleggen en tegen beter weten in macabere en absurde laboratoriumpogingen tot soortvermenging ondernemen.

Terwijl de ontwikkeling tot specialisatie gestimuleerd wordt door minder gunstige omstandigheden, die stress, angst, agressie, tijdelijke noodmaatregelen en soortgelijke reacties introduceren bij de hiermee geconfronteerde soorten, wijst m.i. de beschikbare evidentie erop dat de ontwikkeling naar een hogere levensvorm (de hier bedoelde eigenlijke evolutie dus) eerder bevorderd wordt door zo “paradijselijk” mogelijke toestanden. Zij wordt gestimuleerd door factoren als: nieuwsgierigheid, vrije leertijd, kalmte, zelfcontrole (met als gevolg uitstel van de directe behoeftebevrediging), onderlinge communicatie binnen een soort. Dit kan enkel gebeuren bij wezens die voldoende “algemeenheid” hebben bewaard en zodoende meer geschikt blijven voor de overstap naar omvangrijker mogelijkheden.

Men kan dit een beetje vergelijken met de sociale welvaart: oorlog leidt tot heel gespecialiseerde en gevaarlijke mechanismen, evenals dictatoriale sociale structuren die uiteindelijk stagnerend werken. In tijden van vrede daarentegen kunnen de algemene welstand en het ontwikkelingspeil van een bevolking stijgen. Of er in die periodes ook effectief een hoger cultureel en technologisch peil zal bereikt worden, hangt bijkomend af van andere externe factoren, zoals de ligging en de natuurlijke rijkdommen, maar de doorslaggevende stuwende kracht ertoe komt vanuit de bevolking zelf en wordt bepaald door niet-materiële factoren zoals het geestelijk klimaat, de sociale cohesie en de organisatorische efficiëntie. Zulke niet-materiële factoren zullen de doorslag geven en hun kwaliteit zal bevruchtend werken op de collectieve inventiviteit en zowel werkkracht als uitwisselingen stimuleren.

Uit het voorafgaande kunnen we een evolutiebeeld afleiden dat grondig verschilt van hetgeen ons in publicaties meestal wordt voorgeschoteld en aan onze schoolkinderen wordt ingelepeld. We krijgen een evolutieverloop waarbij centrale, meer algemeen gebleven levensvormen “sui generis” een steeds hogere graad van informatieverwerking opbouwen. Intussen gebeuren er, onder de druk van wisselende omstandigheden, ook eerder toevallige afscheidingen in de richting van specialisaties. Die laatste zullen met afwisselend succes de tand des tijds doorstaan, eventueel een deel-evolutie kennen of definitief afsterven, terwijl het centrale (minder “gespecialiseerde”) deel van het leven zich stelselmatig verder ontplooit.

Op die manier ontstaat een “normaal” biologisch bestand, waarin minder en meer geëvolueerden en minder en meer gespecialiseerden naast elkaar en dikwijls in symbiose met elkaar leven, en zeker niet alleen maar de “fittest” overleven. Dit klopt met wat we actueel kunnen waarnemen (als men abstractie maakt van de grootschalige vernietiging van levensvormen door de moderne mens), evenals met de reconstructies van het verleden op basis van het bodemarchief der fossiele resten.

Tezelfdertijd wordt ook duidelijk waar precies het materialistisch evolutieschoentje wringt. In een vergeefse poging om op basis van een blindelings en zinloos principe een uitgewerkte evolutietheorie op te bouwen, hebben de darwinisten de wetenschappelijke literatuur belast met een vracht aan hypothetische constructies, die telkens weer ondermijnd worden door nieuwe bevindingen. Typerend hiervoor zijn de opgestelde stambomen van het leven waarin fossiele vormen onderling worden verbonden door afstammingslijnen, dikwijls zonder enige vorm van bewijsvoering. Bijna elke paleontoloog heeft er wel een andere uit zijn tekenpen getoverd, maar één kenmerk hebben ze allemaal gemeen: de mens wordt liefst uitgebeeld op een of andere zijtak. De situering op zulke afstammingsbomen (centraal of op een verre zijtak, verbonden met een verticale, schuine of horizontale lijn) lijkt mij echter vooral gedicteerd door gevoelsmatige voorkeuren en/of ideologische overwegingen.

Mijn voorkeur gaat uit naar een voorstelling waarin de huidige mens centraal staat en linea recta verbonden is met de basis der levensvormen. Zulk schema kent bv. geen problemen met fossiele hominiden die veel ouder blijken dan hun verwanten met primitievere of “minder geëvolueerde” trekken. De primitievere horen gewoon bij uitgestorven aftakkingen, waarvan de oorsprong aanzienlijk ouder is dan wat nu meestal wordt aangenomen. Daarom komen zij nogal speculatief op misleidende hoogtes van de stambomen terecht. Het voornaamste probleem is dat er simpelweg veel te weinig mensachtige fossielen zijn om ons een juist totaalbeeld te vormen van het verloop van de evolutie naar de huidige mens. Het gaat immers over periodes van miljoenen jaren en gebieden met continentale dimensies. Door hun grotere hersencapaciteit konden de mensachtigen zich gemakkelijker aanpassen aan nieuwe omstandigheden en bijgevolg migreerden en exploreerden ze meer dan de meeste andere soorten, hetgeen het paleoantropologische onderzoek bijkomend bemoeilijkt. De huidige resultaten zijn grotendeels voorbarige conclusies over verwantschapsgraden, die slechts gelden tot nieuwe vondsten de bestaande theorieën onderuit halen.

Het beste argument voor het hier verdedigd “vitalistisch” evolutiebeeld is de mens zelf. Zijn veelzijdigheid en zijn onbeschermd lichaam getuigen voor het element “algemeenheid” als belangrijke voorwaarde voor de evolutie naar een wezen met steeds meer en hogere mogelijkheden; terwijl zijn intelligentie en communicatieve vaardigheden het resultaat zijn van de continue interne sturing naar een toenemende capaciteit tot informatieverwerking. De leerschool van zijn lange kindsheid is hierbij geen overbodige luxe, maar leverde op langere termijn een essentiële bijdrage in de evolutie van de mens als soort. Op individueel niveau leidt het tot de noodzakelijke evolutie op de korte termijn van een mensenleven.

In dit verband lijkt de embryonale menselijke evolutie interessant. Volgens de “biogenetische grondwet van Ernst Haeckel”, die vroeger opgeld deed, doorloopt de mens in het embryonale stadium alle trappen van zijn soortevolutie. Tot de derde maand heeft het embryo een staart en de kieuwzakken lijken op dezelfde organen bij embryonale vissen. Tot de vierde maand en soms zelfs tot na de geboorte heeft de foetus een haarkleed. Na zes maanden staan de oorspronkelijk zijwaarts gerichte ogen naar voren, … Alhoewel aan de biogenetische grondwet nu niet zwaar meer wordt getild, ben ik de mening toegedaan dat de ontwikkeling van het menselijk embryo wel degelijk iets weergeeft van de evolutionaire tussenstappen vanaf de oercel tot de actuele mens. De ontwikkeling van het embryo geeft daarbij niet de morfologische veranderingen weer van de volwassen individuen uit de vroege menselijke filiatie. Maar zij lijkt mij wel de achtereenvolgende stadia te reflecteren waarop een embryo of foetus van een onzer voorlopers tijdens zijn ontwikkeling een nieuwe koers insloeg in onze richting, ten gevolge van kleine maar belangrijke wijzigingen in de meegekregen genetische informatie.

Interessant is hierbij dat het hoofd van het embryo al in een zeer vroege fase een belangrijke plaats inneemt, en ook dat er geen aapachtige klimarmen of aapachtig prognathisme (vooruitgeschoven snuit) te noteren vallen. Is dit misschien de reden waarom er minder belangstelling is voor de biogenetische grondwet? Het al stevig ingeburgerd verhaal over onze in bomen klimmende aapachtige voorlopers, die vervolgens in de door droogte ontstane savanne rechtop begonnen te lopen, schijnt hier niet mee te kloppen. Misschien zal het vroeg of laat van de wetenschappelijke werktafels worden geveegd.

Om dit ruwe totaalbeeld af te werken moeten we nog antwoorden op de creationistische opmerking dat er geen fossiele tussenschakels werden gevonden en dat iedere soort plots volledig afgewerkt en in groten getale opduikt. Vooreerst moet men duidelijk maken wat men met tussenschakels bedoeld. Fossiele schedels bv. die intermediair zijn tussen de huidige menselijke en de aapachtige zijn al in heel wat maten en vormen voorhandig. Dit betekent niet dat zij een overgang vormden van aap naar mens of omgekeerd. Zoals hierboven toegelicht is de genetische kloof tussen twee volledig gevormde soorten (in dit geval de huidige apen en mensen) onoverbrugbaar.

De tussenstadia naar de specialisaties, vertrekkend vanuit het hiervoor geschetst centrum van de evolutionaire stamboom, brachten hoogstwaarschijnlijk nieuwe moeilijkheden en gevaren mee, zodat het aannemelijk lijkt dat er maar een beperkt aantal individuen de beginfasen van de vertakkingen met succes konden doorlopen. Eenmaal dat zich een succesvolle aanpassing had voltrokken zal die logischerwijze alras tot een snelle vermenigvuldiging hebben geleid. Daarenboven wordt hier aangenomen dat de meeste aftakkingen, ook die van fysisch sterk met ons verwante soorten, verder weg liggen in de tijd dan over het algemeen wordt aangenomen. Hetgeen we dus nu zeer sporadisch terugvinden in kloven, ondergrond of grotten, zijn in de eerste plaats de vergevorderde ontwikkelingsfasen die qua ouderdom dichter bij ons liggen. De kansen om een fossiel te vinden van een vroeg aftakkings- of overgangsstadium zijn om de hogergenoemde redenen uitermate gering.

Dit alles betekent niet dat we “afstammen van apen”, maar dat we met deze dieren een gemeenschappelijke voorouder hebben, die tot nu toe niet precies is gedefinieerd. Is dat erg? Op de keper beschouwd is dat even “erg” als de vaststelling dat we allemaal eens bestonden als een bevruchte eicel, waarna we evolueerden naar een embryo, een foetus, een “onnozel” kindje, enz. Het belangrijkste voor ons als mens, is niet wie wat we in een voormalig stadium waren, maar wat we werden vanaf het ogenblik dat we onderscheid konden maken tussen goed en kwaad. Zeer belangrijk is ook hoe we deze ethische begrippen invullen: op basis van persoonlijke voorkeuren, in dienst van ideologisch geconstrueerde prioriteiten, bijgelovig onderworpen aan afgoden, of in dienst van de Schepper, die zich aan ons o.a. via de Bijbel openbaart en zijn wil te kennen geeft.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s