Geloof, mythe en werkelijkheid in creationisme en evolutietheorie.

De menswording

Toen Adam zijn Eva voor het eerst zag sprak hij: “Deze is eindelijk been van mijn gebeente en vlees van mijn vlees”. Het in symbolentaal geschreven verhaal confronteert ons met een heel expliciet probleem van Adam: voordat God tussenbeide kwam vond hij geen enkele geschikte vrouw. Als we nu de persoonlijke geschiedenis van Adam bekijken in het kader van de algemene geschiedenis van het leven, dan ontdekken we dat achter deze schijnbaar bijkomstige anekdote een belangrijk biologisch principe schuilgaat, waarover we het nog niet gehad hebben, namelijk de “seksuele selectie”.

We kunnen de seksualiteit beschouwen als een der strategieën van het leven. De diversificatie houdt namelijk het gevaar in tot uiteindelijke degeneratie van de genetische informatie. Seksuele selectie leidt dit in goede banen door ervoor te zorgen dat de kwaliteit van het genetisch patrimonium binnen een populatie of soort op peil blijft. Dit gebeurt op twee manieren: enerzijds door het vroegtijdig afsterven van vruchten met al te grote afwijkingen en anderzijds door het invoeren van selectiemechanismen vóór het paren. De seksualiteit heeft niet alleen een controlerende invloed op de soortvorming in het algemeen, maar ook een stimulerende op de evolutie in opgaande lijn, zoals die hier bedoeld wordt.

Alhoewel diversificatie en seksuele selectie twee levensstrategieën zijn van een andere orde, kunnen beide leiden tot transformaties van de genetische structuur. Zowel de aftakking naar een gespecialiseerde nieuwe soort als de sprong naar een superieure of meer complexe levensvorm vereisen, bij seksuele voortplanting, het gelijktijdig bestaan van minimum twee individuen waarvan de genen een grotendeels gelijkaardige vernieuwing bevatten. We mogen dus stellen dat seksualiteit de soortvorming in feite stabiliseert (veranderingen door diversificatie moeilijker maakt). Anderzijds leidt het, via seksuele selectie, de evolutionaire veranderingen die er toch komen in goede banen.

Toegepast op het verhaal van onze stamouders zien we dit selectiemechanisme aan het werk bij de laatste “evolutiesprong” in onze richting. Zulke sprong is zeldzaam, gezien de kleine kans op de creatie binnen dezelfde generatie en in dezelfde omgeving van twee individuen van verschillend geslacht, die drager zijn van een onderling compatibele genetische vernieuwing, in dit geval leidend tot een “superieure” soort. Of met andere woorden: als Adam geen Eva had ontmoet of als hij haar niet had gewild (geselecteerd), dan was hij ofwel kinderloos gebleven, ofwel was zijn genetische vernieuwing verloren gegaan, of opgeslorpt in het totale genetisch bestand van onze voorlopers. Het ontstaan van de huidige mens was dan voor onbepaalde tijd uitgesteld of zou nooit geschied zijn.

De laatste evolutiesprong naar de huidige mensheid is volgens het Bijbelverhaal het gevolg van een interne selectionerende beslissing of aanvaarding, zoals ook alle voorafgaande sprongen werden bepaald door interne creatieve krachten en niet door het blinde darwinistische toeval. Alhoewel in Adams uitroep enkel de biologische (en dus genetisch bepaalde) verwantschap naar voor komt, moet men geen psycholoog zijn om te beseffen dat de eenzame Adam vooral blij was omdat hij eindelijk iemand vond met wie hij op zijn niveau kon communiceren. De uitgediepte Genesispassage illustreert op een mooie wijze een aspect van de voornoemde keten van instandhoudingsdrang, communicatie en evolutie. Door de rechtstreekse interventie van God kreeg dit biologisch gebeuren daarenboven een uitzonderlijke geestelijke dimensie. Op die manier werden zowel de interne keuzes van het eerste mensenpaar als hun éénwording boven het louter biologische getild en gesacraliseerd.

Met de opkomst van de moderne mens ontstond een gans nieuwe situatie. De rollen werden omgekeerd: in plaats van de natuurkrachten grotendeels te ondergaan en zich zo goed of zo kwaad mogelijk aan te passen, bouwde de mens stelselmatig een aan hem aangepaste omgeving op. Wat er sindsdien met zijn minder geëvolueerde naaste biologische verwanten gebeurd is blijft voorlopig onduidelijk. Er zou natuurlijk een vorm van “artificiële selectie” kunnen geschied zijn, waarmee dan de uitroeiing bedoeld wordt van de primitievere soortverwanten, maar daar bestaat geen enkel deugdelijk bewijs voor. We kunnen enkel constateren dat zij gaandeweg uit het recentere fossielenbestand verdwenen en dat er in de huidige mensheid alleen maar rassen voorkomen, maar geen ondersoorten. Alhoewel ook daarover ingewikkelde afstammingsconstructies zijn uitgewerkt, leiden zowel de logica als de laatste bevindingen m.i. tot de vaststelling dat alle huidige mensen rechtstreeks dezelfde oorsprong hebben. Uit de recente ADN studies blijkt ook dat er een zeer lichte vermenging is geweest met hetgeen we hier “primitievere” mensensoorten noemen, zoals de welbekende Neanderthalers. Er lijkt mij geen enkel probleem te zijn om dit vanuit een christelijke mensvisie te beschouwen als een gevolg van de “zondeval”.

Hier duiken dan weer andere cruciale vragen op: wanneer leefden onze stamouders? Waar moeten wij ze situeren? Welke status moeten we vanuit ons geloof toekennen aan hun verwanten en voorlopers? Op louter wetenschappelijke basis kunnen hier geen afdoende antwoorden worden op gegeven. Onze archeologische kennis van het verre verleden is nog altijd te summier en daarenboven kan men aan het fenomeen “mens” verschillende definities toekennen, variërend van zeer ruim tot zeer eng. Vooraleer dieper op deze materie in te gaan moeten we duidelijk stellen dat ons hier vooral de geloofsaspecten interesseren. We zullen ons dus vooral daardoor laten leiden in de verdere bespreking, met in acht name van de hier nagestreefde wetenschappelijk verantwoorde context.

In het Genesishoofdstuk dat het Zondvloedverhaal inleidt staat een intrigerende korte passage (Gen. 6,4): “In die dagen, toen de zonen Gods tot de dochters der mensen gekomen waren, en dezen hun kinderen hadden gebaard, waren er reuzen op aarde; ook nog daarna. Dat waren de krachtmensen uit de oude tijd, beruchte mannen“. Misschien is die verwoording een uiting van een sterk patriarchale instelling van de Israëlieten, die ervan uitging dat het enkel de man is die via Adam van God afstamt. Maar het zou ook kunnen een vage reminiscentie zijn uit een oeroud verleden, waarin naast de afstammelingen van Adam nog afstammelingen van diens oorspronkelijke soortverwanten leefden. De krachtmensen die uit de vermenging van beiden voortsproten zouden in dat geval een typisch voorbeeld van “heterosis” zijn: het gekend verschijnsel waarbij de nakomelingen van een paar met grotere genetische verschillen uitzonderlijk vigoureuze eigenschappen vertonen. Misschien wou de schrijver duidelijk maken dat er bij de aanvang van mensheid twee verschillende niveaus van geestelijk bewustzijn werden vermengd. De volledige passage schijnt in ieder geval te verwijzen naar een veralgemeende deviatie van het seksueel gedrag, dat tomeloos, ontrouw, geperverteerd en minder selectief werd.

Wat er ook van zij, hier verder op ingaan wordt al te speculatief. Vanuit het standpunt van ons geloof is over het geestelijk aspect van dit speciale reuzenras niets met zekerheid geweten en evenmin over onze niet van Adam afkomstige biologische verwanten. Naar mijn mening heeft het dus weinig zin ons hierover het hoofd te breken. Gods geest doordringt de levende en de niet-levende wereld. Christus sprak tot de storm en strafte een vijgenboom voor zijn onvruchtbaarheid, Johannes de Doper leerde dat God de kracht had om uit stenen zonen van Abraham te verwekken… God alleen kent de geestelijke zin van al wie en wat Hij geschapen heeft en aan Adam en zijn nakomelingen werd slechts een klein deeltje van zijn scheppingsplan geopenbaard, als attentievolle hulp ter wille van de bestendiging van het leven dat zij in zich droegen.

Keren wij terug naar het verhaal van onze hoofdpersonages. We vinden hierin enkele feiten die hen karakteriseren: zij waren de eerste “mensen”; zij gaven namen aan alle levende wezens; zij bewerkten hun omgeving; zij kregen tot opdracht de aarde te bevolken; hun geest had contact met God en zij kenden zijn wil; maar hun eigen wil bleef niet gehoorzaam aan die van God. Indien wij deze gegevens op basis van ons geloof als zeker aanvaarden, dan kunnen wij hieruit een zeer rudimentaire antropologische reconstructie opmaken.

Onze stamouders benoemden de planten en dieren. Dit is een menskundig gegeven van primordiaal belang. Zoals wij verleerd hebben ons te verwonderen dat er water uit de kraan vloeit of stroom komt uit het stopcontact, zo ook geven wij er ons over het algemeen geen rekenschap meer van welke fundamentele rol het vermogen tot taalvorming en -gebruik speelt in de beleving van ons mens-zijn. Zodanig belangrijk is dit vermogen dat wij mogen stellen dat het waarschijnlijk de belangrijkste biologische eigenschap is die ons van dieren onderscheidt. Zonder dat vermogen blijft onze hersenwerking simpelweg op een louter dierlijk niveau functioneren.

Adam en Eva waren de eersten die de levende (en we mogen aannemen ook de niet-levende) wereld om hen heen systematisch vastlegden in de symboliek van het gesproken woord. Hiertoe moesten zij alvast over een gesofisticeerd spraakapparaat beschikken en over een gespecialiseerde hersenlob, die in staat was de gecreëerde taalsymbolen te stockeren en zinvol te manipuleren. De nieuwe mens beschikte aldus over de mogelijkheid om bewust te communiceren, aan te leren, op te voeden, afspraken te maken, kortom om met zijn hersenen een “culturele wereld” te creëren. Hij had een reuzetrede genomen op de evolutietrap van communicatie en zelfbewustzijn. Heel waarschijnlijk hadden zijn voorgangers hiertoe al stuntelige pogingen ondernomen, maar uit paleoantropologische studies blijkt dat zelfs de Neanderthalers, ondanks hun grote hersenvolume, meer beperkte spraakmogelijkheden bezaten.

Maar daar bleef het niet bij. De intelligentie die de eerste moderne mensen verkregen, dankzij de gave van het woord, stelde hen uiteindelijk in staat om zich verstandelijk bewust te worden van het hogere en diepere dat achter de rechtstreeks waarneembare werkelijkheid schuilgaat. Zij slaagden er tenslotte in om zelfs aan de allerhoogste werkelijkheid, aan God, een naam te geven. Toen waren zowel het algemeen als het individueel proces der biologische menselijke evolutie voltooid. De Schepper bracht zijn menselijke schepsels vervolgens tot geestelijke voltooiing door hen tot zijn kinderen te maken. De “wet van de sterkste” die voorheen het leven domineerde, werd vervangen door geestelijke wetten, o.a. die van de “gehoorzaamheid”, in de eerste plaats aan het Opperwezen en vervolgens aan de stamoudsten. De onderlinge competitie werd vervangen door solidariteit, respect voor de zwakkeren, en liefde voor elkaar, geschraagd door een hoogstaande en fijngevoelige communicatie.  Onze stamouders bereikten het hoogst mogelijke aardse Godsbesef. In hen was het vlees “woorden” geworden waarmee zij zelfs met de Allerhoogste konden communiceren… Lang na hun val zal het Goddelijk Woord vlees worden, zoals wij, om de verbroken communicatie te herstellen.

Over de periode waarin onze stamouders de basis legden voor de menselijke “culturele wereldverovering”, kunnen we op basis van de nu (A.D. 2020) beschikbare gegevens slechts zeer grove schattingen maken. De biologische ondersoort Homo sapiens sapiens (waartoe wij behoren) is waarschijnlijk een 200.000 jaar oud, terwijl de ouderdom van de ondersoort Homo sapiens neanderthalensis op ongeveer 300.000 jaar wordt geschat. De abrupte, darwinistisch moeilijk verklaarbare, maar voor de mensheid cruciale overstap van een hoofdzakelijk door biologische noodwendigheden gedetermineerde levenswijze, naar een die overwegend werd bepaald door immateriële culturele, maatschappelijke, ethische, spirituele en religieuze prioriteiten gebeurde pas tussen ± 75 en 45.000 BP (1), door de stamouders van de gehele huidige mensheid. Zij leefden hoogstwaarschijnlijk ergens in de vruchtbare maansikkel van het N.O (2). Vanaf dan en van daaruit begon de zeer snelle verspreiding van de huidige mens over het gehele bewoonbare aardoppervlak, samengaand met het langzaam uitsterven van de andere mensachtigen en verwante mensensoorten. Al redelijk vlug gebeurde het transport niet alleen te voet, maar ook met vaartuigen, zoals o.a. aangetoond door de migratie naar Australië vanaf ca. 40.00O BP. Zoals gezegd ging dit gepaard met kleine genetische vermengingen, vooral met de Neanderthalers (1 à 4% bij de Europeanen, en weinig of niets bij bevolkingen ten zuiden van de Sahara).   

Met het Godsbewuste eerste mensenpaar begon de “menselijke geschiedenis”, in die zin dat ervaringen en kennis niet alleen meer zo goed en zo kwaad het ging, generatie per generatie, met gebaren en orale signalen werden overgeleverd. Zij werden vanaf dan gaandeweg ook bewaard in duurzame symbolische tekens, zoals wandschilderingen, inkervingen en tenslotte schrifttekens. De uitvoering van Gods opdracht om de aarde te bevolken voltrok zich met een opmerkelijke snelheid, die sterk contrasteert met de schaarsheid aan fossiele resten van de vroegere en andere mensachtige populaties. De georganiseerde bewerking van de omgeving bracht grote veranderingen over grote delen van de aarde, maar gebeurde dikwijls zonder respect voor het voortbestaan van de andere levensvormen en zelfs voor de toekomst van de eigen levensvorm. Er voltrokken zich linguïstische afscheidingen; een zeer belangrijke zou het gevolg kunnen geweest zijn van de wereldwijde zondvloed, die kleine geïsoleerde gemeenschappen met sterk verschillend beschavingspeil deed ontstaan.

In een steeds artificiëler wereld werd de mens meer en meer van zijn oorsprong en opdracht vervreemd. Hij “specialiseerde” zich uiteindelijk in geld vergaren, machtsverwerving en toenemende verslaafdheden. Hij deed en doet nog altijd het tegenovergestelde van wat Christus, het prototype van de “niet-gespecialiseerde” universele mens, ons leerde: te worden als openstaande kinderen en eerst en vooral “het Rijk Gods” te zoeken, de finale evolutietop: de collectiviteit van Gods beminde kinderen.

Zoals bij de aanvang van deze artikelenreeks was gewaarschuwd, werd hiermee een gecompliceerde materie behandeld. Voor hen die er minder mee vertrouwd zijn, is zij misschien niet gemakkelijk te assimileren. De bedoeling is hierover zowel objectieve informatie als degelijke houvasten aan te bieden aan onze lezers, in de eerste plaats aan de christelijke, maar ook aan personen met een andere levensbeschouwing. Hopelijk was dit een min of meer geslaagde poging. In ieder geval zien we graag uw vragen en reacties tegemoet!

(1) Toevoeging van de redactie: de laatste schattingen op genetische basis (2021) situeren de periode van de “culturele explosie” die door onze gemeenschappelijke voorouders werd ingezet tussen 90 à 60.0000 BP.

(2) Idem: de oorspronkelijke bakermat van de mensheid (de geboorteplaats van Adam en Eva dus) zou zich eerder in een gebied in de Hoorn van Afrika bevinden en de daaropvolgende exodus uit Afrika kan zowel via het noorden gebeurd zijn, als via het Arabisch schiereiland, van zodra er mogelijkheid was om de zee-engte Bab-el-Mandeb (“Poort der Tranen”) aan de zuidkant van de Rode Zee over te steken.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s