Geloof, mythe en werkelijkheid in creationisme en evolutietheorie.

– Het tweede scheppingsverhaal (Gen. 2,4b-25)

Het tweede scheppingsverhaal brengt ons inzicht in de oorzaken van de tragedie die de mensengeschiedenis – ondanks de beloftevolle perspectieven – van bij de aanvang is geworden. Het is evenals het voorafgaande mythisch opgesteld, maar bevat ook realistische elementen. Zo worden de eerste mensen in een welbepaalde landstreek gesitueerd: in het Nabije Oosten, tegen de bronnen van Tigris en Eufraat. In dit zalig oord waarin onschuld en veilige geborgenheid heersten, beleefden onze stamouders een pril geluk, waaraan zij later vol spijt zullen terugdenken. Het heimwee ernaar zullen zij aan hun afstammelingen doorgeven.

De kosmos en de aarde vormden een dynamisch en harmonieus geheel, waarin alles en iedereen zijn functie, doel en opdracht had. Met de creativiteit die de mensen hadden meegekregen en de mogelijkheden die voor het rapen lagen konden zij een paradijselijk geluk kennen, zolang zij zich zouden gedragen volgens de voorschriften die God in hun aard en wezen gelegd had. De mens kreeg als heerser over de schepping niet alleen het vruchtgebruik ervan, maar ook de verantwoordelijkheid ervoor. Maar voor de eerste maal ziet God iets dat niet goed is: de mens, zijn lievelingsschepsel is nog alleen.

In het voorafgaande had de schrijver het overbodig geacht om aan te halen dat alle geslachtelijke dieren in paren werden gevormd, maar wel had hij uitdrukkelijk vermeld dat de mens als man en vrouw werd geschapen. Niettemin vond de opsteller van het tweede scheppingsverhaal het nodig om nog eens een aparte passage in te lassen waarin God, ten behoeve van de eenzame Adam, eerst wat experimenteert met vogels en landdieren om tenslotte uit een van zijn ribben zijn vrouw te vormen. Het is niet aanneembaar dat we aan deze inlassing, die eerder bij de Griekse mythologie lijkt thuis te horen, enige letterlijke betekenis moeten toekennen en dat wij ons Adam bijvoorbeeld moeten voorstellen als een navelloze hermafrodiet met een litteken op de plaats waar Eva via een goddelijke keizersnede geboren werd. De bedoeling van de auteur wordt duidelijk wanneer hij aan het einde van de passage zijn boodschap rechtstreeks laat aansluiten op de vreugdevolle uitroep van Adam bij het aanschouwen van Eva: “Daarom verlaat de man zijn vader en moeder en hecht zich geheel aan zijn vrouw en zij worden één vlees”, m.a.w. God heeft uitdrukkelijk gewild dat de huwelijksvereniging van man en vrouw volkomen en onverbreekbaar zou zijn.  

Beiden waren naakt: in hun onschuld hadden zij niets te verbergen of van elkaar te vrezen. Voor verveling hadden zij geen tijd: de Hof van Eden moest immers bewerkt en bewaakt worden. Was er pijn? Natuurlijk een beetje, maar van het soort waar men niet bij stilstaat, zoals wij kunnen afleiden uit Gods woorden tot de vrouw gericht, na de zondeval: “De lasten uwer zwangerschap zal ik verzwaren”. Was er angst (voor de dood)? Blijkbaar niet, want als zij Gods voorschriften volgden zouden zij niet “sterven”. In het hiernavolgende zullen wij dit trachten toe te lichten.

– De zondeval (Gen. 3)

In dit hoofdstuk zien wij onze stamouders de fatale stap zetten: zij doen wat niet goed is in Gods ogen of, in Bijbelse termen, zij eten van de vruchten van de “boom van kennis van goed en kwaad”. God wou hun trouw en aanhankelijkheid beproeven en had toegelaten dat zijn vijand, die op de vernietiging van zijn schepping uit is, het jonge echtpaar in bekoring bracht.

Men kan zich afvragen waarom de verleider hier in de gedaante van een slang ten tonele wordt gevoerd. De uiterlijke gedaante van iemand of iets wordt dikwijls geassocieerd met bepaalde eigenschappen. Aan de slang werden en worden in de mythes en denkwereld van veel stammen, volken en culturen nogal wat boven- of buitennatuurlijke eigenschappen meegegeven. Bijzonder aan de slang zijn niet alleen het gladde voorkomen en de geniepige manier waarop zij zich voortbeweegt, maar ook het afwerpen en telkens weer vernieuwen van de huid. In Afrika bestaat een bijgeloof dat men een slang voor zonsondergang niet dood krijgt en een poging hiertoe, die ik persoonlijk meemaakte, leek dit eigenaardig genoeg te bevestigen. Zij is dus een ideale kandidate om als levensdier vereerd te worden en het hoeft dus geen verwondering dat zij het symbool werd van de geneeskunde.

In een gedaante die dus de mogelijkheid suggereert tot ongelimiteerde levensvernieuwing, komt de vertegenwoordiger van het kwaad de eerste mensen aanzetten om zelf als God te worden en uit te maken wat goed en kwaad is, zonder dat zij daarom moesten “sterven”. Dit laatste woord staat tussen aanhalingstekens omdat de juiste interpretatie ervan enorm belangrijk is.

Wat wordt hier juist bedoeld? We betreden hier een domein waar we met gelovige schroom enkele zaken zullen moeten voorop stellen die niet aansluiten bij de hedendaagse denkwereld, door het rationalisme aangetast. Waarom schrijft Sint Paulus dat door de zonde van één mens de dood is gekomen? Als gelovigen moeten wij aannemen dat die dood dus had kunnen vermeden worden, als er geen zondeval was geweest. Alhoewel Adam en Eva slechts tijdsgebonden schepsels waren had God hen beloofd dat zij niet zouden sterven als zij Hem trouw bleven en deze zekerheid vormde het onderpand van hun paradijselijke stressloze vrede. Wat God hiermee had bedoeld wordt ons duidelijk als we aandachtig lezen wat God zegt wanneer Hij zijn oordeel over Adam en Eva uitspreekt: “Want gij zijt stof en tot stof keert ge terug”. Hadden zij dus niet gezondigd, dan waren hun lichamen onbezoedeld gebleven en hadden zij de ontbinding nooit gekend.

Dit kunnen we ook afleiden uit andere Bijbelteksten, zoals de profetische woorden “Uw heilige laat Gij het bederf niet zien” (Hand. 2, 27 en 13, 35, verwijzend naar Ps. 16, 8-11). Op het einde van een zondeloos aards bestaan zouden onze stamouders met hun vergeestelijkt lichaam rechtstreeks in het huis van hun hemelse Vader opgenomen zijn. Er zijn ons spijtig genoeg maar vier voorbeelden bekend van mensen die hierin geslaagd zijn: Henoch, Elia, Jezus en Maria. Daarenboven kennen we, ook in onze tijd nog, een aantal gevallen van heiligen wier lichaam gaaf bewaard bleef na hun dood.

Uiteraard was het niet de bedoeling van God om een gehoorzame mensheid ten eeuwige dage in het aards paradijs te laten verder leven. Als gevolg van de gehoorzame uitvoering van de opdracht tot vermenigvuldiging zou zelfs het aardoppervlak aldus vlug te klein blijken. Wij moeten het woord “sterven” hier dus dezelfde betekenis geven als die welke Jezus eraan geeft met de woorden: “Wie in mij gelooft zal eeuwig leven, ook al is hij gestorven”, of m.a.w. “ook al is zijn lichaam vergaan, is de gelovige mens in feite slechts schijndood, vermits hij opnieuw zal verrijzen”.

Er is veel geschreven geworden over de aard van de zonde die de paradijsbewoners zouden bedreven hebben. Het zal wel altijd giswerk blijven om dit uit de mythische genesistekst af te leiden. Een plausibel en realistisch antwoord op die vraag zou kunnen zijn dat de gebruikte beeldspraak verwijst naar het innemen van psyche-verstorend voedsel, een “drug” dus. Door die zonde werden zowel de lichamelijke integriteit als de verstandelijke vermogens aangetast, zodat het werk dat voorheen met genoegen perfect werd afgehandeld niet meer vlotte.

Het wangedrag van het hoofd van de schepping had een verstorende invloed op gans zijn natuurlijke omgeving. De gevolgen hiervan zijn ook nu nog merkbaar: bv. in ongeremde boskap die van oeroude bossen woestijnen maakt, lozingen die een grote vissterfte teweegbrengen, enz…

De paradijselijke harmonie en vruchtbaarheid maakten plaats voor kommervolle toestanden, die op hun beurt een oorzaak vormden van twist tussen de mensen. De kennis van God en zijn wil geraakte spoedig teloor, waardoor het menselijk geslacht steeds verder ontaardde naar de situatie ten tijde van de zondvloed. Immers, God laat zich slechts kennen door wie met hart en ziel op zoek zijn naar de Waarheid die enkel in Hem te vinden is. Wie integendeel zijn verstandelijke vermogens misbruikt in dienst van een maximale bevrediging van zijn of haar ego, wordt onderhorig aan imaginaire, artificiële goden, door de mens en diens Grote Verleider gecreëerd. De aldus ontstane afgodendiensten hebben tot ontelbare en afgrijselijke misdaden geleid.

Dit proces van vervreemding (van God en van elkaar), van ontmenselijking en geestelijke teloorgang, zet zich ook nu nog altijd verder. Maar dankzij Christus’ verlossingswerk startte een ander proces, in de omgekeerde richting: een van bekering, genezing, hernieuwd respect voor het leven…, geschraagd door het geloof in de uiteindelijke nieuwe schepping, ditmaal voor eeuwig “goed”.

Besluit

Binnen het kader van deze bespreking kunnen we hierover niet verder uitweiden, alhoewel het onderwerp van een juiste kijk op de scheppingsverhalen nog lang niet is uitgeput. De bedoeling was een realistische en tegelijk gelovige Bijbelvisie te plaatsen tegenover enerzijds een simplistisch creationisme en anderzijds een gereduceerde materialistische kijk op het ontstaan van de mensheid. In de volgende delen zullen we ons meer concentreren op de wetenschappelijke aspecten van de courant gebruikte argumentaties.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s