Geloof, mythe en werkelijkheid in creationisme en evolutietheorie.

De Zondvloed als tijdsreferentie

Het pad der geslachtslijsten helpt ons dus niet veel vooruit en we gaan over naar een andere piste: we zoeken een of meer evenementen die eventueel dateerbaar zijn en die een relatieve tijdsaanduiding mogelijk maken. Als vanzelfsprekend belanden we aldus bij het grootschalig dramatische evenement bij uitstek: de Zondvloed of het “Diluvium”, de catastrofe waarbij de mensheid haast ten onder ging. Tot aan de doorbraak van het darwinisme werd zij algemeen als scheidslijn in de aardgeschiedenis aanvaard. Zij zou voor ons een duidelijke tijdsreferentie “ante quem” (vóór dewelke) kunnen zijn. Het is voldoende bekend dat men zowat overal ter wereld zondvloedmythes aantreft, hetgeen een sterk argument is ten voordele van de historische authenticiteit van dit gebeuren. Maar wat moeten we ons daarbij voorstellen?

Volgens het Bijbelrelaas zouden de hoogste bergtoppen bedekt geweest zijn met vijftien ellen water, dit is zo’n zeven meter! Hoe zouden de ark-bewoners, ergens ronddobberend in hun goed afgedichte schuit zonder aandrijving, in een met waterdampen gevulde atmosfeer, de handen vol hebbend met het onderhoud van een massa dieren, de aardbol hebben rondgevaren om overal naar de hoogste toppen te peilen? Maar bovenal: waar zou al dat bijkomend water vandaan zijn gekomen (meer dan tweemaal al het water der oceanen) en waarheen is dat daarna verdwenen? Als al dat water in veertig dagen uit de lucht zou gevallen zijn dan was alles gewoon vernietigd, ark incluis. Een creationistisch antwoord hierop spreekt over de mogelijkheid dat er toenmalig een mantel bestond van kokende waterdamp in de atmosfeer. Maar zelfs als, volgens de berekeningen, de luchtdruk hierdoor al 2,5 maal zwaarder zou geweest zijn dan nu, zou die mantel ons slechts 12m water bezorgd hebben, in plaats van de schier 9 kilometer die nodig zijn om de hoogste toppen te bedekken.

Het Bijbelverhaal kan eventueel een plaatselijke overstromingsramp weergeven, die de toenmalig bekende wereld der overlevenden heeft verzwolgen en waarvan het verhaal zich nadien wereldwijd heeft verspreid. In zoverre we de Bijbelse cijfergegevens (die uiteraard geen christelijk geloofspunt vormen) letterlijk willen opnemen, moeten we ons hierover een realistisch beeld trachten te vormen, in de aard van het hierna volgende. Na een langdurige zware regenval, met een onvoorstelbaar grootschalige overstroming als gevolg, zullen de enkele overlevenden nog een tijdje rondgezwalkt hebben, zich ondertussen misschien voedend met vissen en eventueel zelfs peilend naar de bodem. Het water moet een hele tijd minstens een zevental meter hoog gestaan hebben, een maat die zou kunnen overeenstemmen met de diepgang van de beschreven ark. Uiteindelijk liep deze vast en toen de zon door de opstijgende nevelen brak, ontstond er een prachtige regenboog. Die beschouwden ze als een teken van goedwillendheid vanwege de Schepper die hen in leven had gelaten, een teken dat nooit meer vergeten mocht worden en dat uiteindelijk in Genesis werd neergeschreven.

Het feit echter dat de onderscheiden zondvloedmythes hoofdzakelijk in overstromingsgebieden worden aangetroffen, terwijl er bij een redelijk aantal ervan gelijkaardige elementen voorkomen, wijst eerder in de richting van een nog grotere catastrofe met wereldomvang, die vooral de kustgebieden zwaar heeft getroffen. Er is hierover echter absoluut nog geen geologische eenduidigheid. Op uiteenlopende plaatsen vindt men lagen met sterk geconcentreerde fossiele resten van grotere zoogdieren. Zelf heb ik in Ecuador opgravingsonderzoek verricht in een uitgestrekte laag, die een massale diersterfte aantoont binnen een korte tijdspanne. De grootste van de opgegraven soorten verdwenen rond die periode van het Amerikaanse continent, o.a. de paarden. De resultaten van de opgraving leidden tot het besluit dat de catastrofe het gevolg was van een bijzonder sterke regenval. De ouderdom van de fossielen werd via de C14 methode berekend op 9400 BP ± 130. Dit resultaat benadert merkwaardig goed de ouderdom die volgens de geologen E. en A. Tollmann het best die van de Zondvloed benadert: ± 9545 BP. Volgens hun onderzoek was hij een van de gevolgen van de inslagen van de stukken van een uiteengevallen komeet (*).

Een catastrofemodel is perfect aanneembaar ter verklaring van allerlei geologische en paleontologische waarnemingen. Heel waarschijnlijk was de wereldwijde zondvloed-catastrofe, ongeveer tienduizend jaren geleden, niet de eerste en enige die onze aardbol heeft geteisterd. Sommige creationistische argumenten tonen, m.i. terecht, aan dat de paradigma’s of denkkaders van verschillende wetenschapstakken die uitgaan van het zogenaamd “uniformisme” (volgens hetwelk alle veranderingen zich langzaam voordoen en ongeveer op dezelfde wijze zoals nu) ernstige hiaten en fouten vertonen. Maar een groot deel van de argumentatie van de creationisten blijkt zeer speculatief te zijn en is niet gebaseerd op streng-wetenschappelijke vaststellingen.

Zoals we al zagen voldoet de hypothese met de watermantel in de atmosfeer, waarmee zij de Zondvloed trachten te verklaren, helemaal niet. Wanneer zij de geologische lagen willen interpreteren als afzettingen van de “grote watervloed”, dan nemen zij een loopje met de studies, veldwaarnemingen en deducties van duizenden geologen die in de loop van anderhalve eeuw, met het monnikengeduld dat ernstige wetenschappelijke arbeid karakteriseert, hun geomorfologische verklaringen hebben samengesteld. De alternatieve uitleg die het creationisme geeft, voldoet helemaal niet en doet zelfs kinderachtig aan, zeker als er bv. dinosaurussen in voorkomen, die samen met mensen zouden hebben geleefd.

Men wil o.a. aantonen dat de opeenvolging van de verschillende organismen die men van onder naar boven in de gesteentelagen aantreft niet het gevolg is van opeenvolgende afzettingen. Volgens de creationistische uitleg zou deze verticale classificatie van resten van onderscheiden diergroepen het gevolg zijn van de plaats waar zij zich bevonden tijdens het Zondvloedevenement. Daarbij zouden eerst de zeebodemdiertjes begraven zijn, vervolgens de vissen, daarna de kustnabije planten en dieren, dan de landdieren en tenslotte de mensen, die het langst konden ontsnappen (waarom is dat zo zeker?).

Voor iedereen die iets af weet van sedimentologie houdt die uitleg geen steek, omdat afzettingen voldoen aan gekende wiskundige wetmatigheden, waarbij de lichtere elementen verder door de stroming worden getransporteerd en de zwaardere zich vlugger afzetten. Binnen éénzelfde afzettingslaag vindt men dus onderaan en stroomopwaarts de zwaarste botten en bovenaan en stroomafwaarts de lichtere resten. Dit resulteert in een continue reeks zonder scherpe afscheidingslijnen, en zeker niet in een opeenvolging van verschillende typische fossielsoorten die deel uitmaken van duidelijk van elkaar onderscheiden sedimentaire lagen, die elk op zich hun eigen sortering bezitten, met de zwaardere materialen onderaan en de lichtere bovenaan. Het is zulke stratigrafische opeenvolging van lagen die men over het ganse aardoppervlak terugvindt en die enkel door sequentiële afzettingen, gespreid in de tijd dus, verklaard kan worden.

In “Les Cahiers d’Edifa” nr. 3, 1998, vindt men hierover een creationistisch gezinde uitleg van Guy Berthault, die uitweidt over zijn “sedimentologische proefnemingen” (zonder echter iets nieuws te vertellen) en die eindigt met de conclusie dat zijn resultaten de evolutietheorie in vraag “zouden kunnen stellen”. Het is juist dat men in bepaalde streken (bv. in Siberië) enorme enkelvoudige afzettingslagen aantreft die in hun geheel aan catastrofale gebeurtenissen kunnen toegeschreven worden. Maar dit soort dierlijke “massagraven”, met een chaotische en grotendeels ongelaagde inhoud, hebben helemaal niets gemeen met de soms kilometers hoge ordentelijke opstapeling van duidelijk onderscheiden gesteentelagen die, her aan der op de flanken van bergen en ravijnen, zowel getuigen van de gestage opbouw van het materiaal waaruit de opgestuwde bergketens bestaan, als van de wisselende omstandigheden waarin dit gebeurde. In de volgende hoofdstukken bespreken we dit meer gedetailleerd.

Als we de Bijbel werkelijk letterlijk willen ernstig nemen, dan moeten we aannemen dat Noë een uitzonderlijk ontwikkelde kennis had, om in zijn tijd een schip te bouwen met afmetingen die zelfs nu nog indrukwekkend kunnen genoemd worden. Behalve de architectonische en mechanische kwaliteiten waarover de Ark moest beschikken, moest zij ondermeer voorzien zijn van goed uitgekiende ventilatiesystemen en draineringsmogelijkheden voor de afvalstoffen van de meegenomen dieren. Met welke middelen speelde hij die gigantische krachttoer klaar?

In de grotten van het Israëlisch Karmelgebergte, in hetzelfde Nabije Oosten waar zich volgens traditie en logica de heimat van Noë bevond, vindt men een goed onderzochte en door geen zondvloedwaters verstoorde opeenvolging van archeologische bodemlagen met bewerkte stenen die van onder naar boven evolueren van primitieve Acheuleaanse vuistbijlen naar Mousteriaanse artefacten uit het midden-paleolithicum en voorts naar de meer gesofisticeerde werktuigen die tot de aanvang van het Neolithicum behoren. Men vond er ook schedels van zowel Neanderthalers als van de moderne Homo Sapiens. Hoe komt het dat die grotresten ginder, evenals degene die hier of elders werden blootgelegd, geen sporen vertonen van verstoring door de Zondvloedcatastrofe? Zijn de vele opgegraven rudimentair bewerkte artefacten dan van na de Zondvloed? Of bereikte die catastrofe slechts bepaalde gebieden, of kon men zich schuilen in grotten? Zou Noë met primitieve werktuigen zijn kolossale Ark hebben kunnen bouwen?

We kunnen hier nog een hele lijst vragen naar voor brengen, maar waarschijnlijk kunnen we hiermee al volstaan om duidelijk te maken dat de creationisten nog veel werk voor de boeg hebben, vooraleer zij de evolutietheorie op een meer overtuigende wijze kunnen aanvallen. Voorlopig kunnen we enkel stellen dat er ernstige aanwijzingen bestaan voor een wereldwijde regencatastrofe tegen het begin van het Neolithicum van het Nabije Oosten, waarschijnlijk ten gevolge van de inslag van een (uiteengespatte) komeet.

De Zondvloed is een fascinerend onderwerp waarover al enorm veel is geschreven en dat nog lang niet is uitgeput. Maar hoe veelbelovend ook, hij blijft zich nog altijd redelijk mysterieus in de nevelen des tijds hullen, zodat ook dit fascinerend Bijbelverhaal ons niet veel dichter bij onze stamouders brengt.

Een andere benadering

Een ander gegeven dat nuttig zou kunnen zijn is het feit dat Kaïn en Abel, de eerste zonen van Adam en Eva, ons voorgesteld worden als een landbouwer en een veeteler. Op basis daarvan zouden we het ouderpaar aan het begin van het Neolithicum (rond 10.000 jaar terug) kunnen situeren. Maar wat dan onder andere met de jagers-verzamelaars die lang daarvoor in Australië aangeland zijn? (De oudste archeologische vondsten werden er op ± 33.000 voor heden gedateerd). We beperken ons hier dan nog tot de vondsten die toegewezen zijn aan mensen van de huidige ondersoort Homo sapiens sapiens. Zijn de Australische Aboriginals dan misschien geen afstammelingen van Adam en Eva? Ook met die aanpak blijven we dus ter plaatse trappelen met veel onopgeloste vragen.

Maar waarom blijft onze zoektocht naar Adam en Eva zo onvruchtbaar? Het antwoord luidt dat we nog steeds geen bruikbaar robotbeeld hebben gevormd, dat ons toont wie zij in essentie waren en wat hen fundamenteel karakteriseert. In feite heeft er zich sinds het ontstaan van het leven een onafgebroken reeks “Adams” en “Eva’s” ontwikkeld. Op de keper beschouwd is ieder van ons een potentiële stamouder van een onafzienbaar aantal mensengeneraties. Willen we dus uit de impasse geraken moeten we ons bezinnen over het fundamenteel karakter van het in de Bijbel voorgestelde eerste ouderpaar.

De grondkarakteristieken van de Bijbelse eerstelingen, dit wil zeggen de kenmerken waarmee zij zich duidelijk profileren aan de oorsprong van de mensengeschiedenis, zijn niet zozeer van biologische of materiële aard, maar cultureel en geestelijk. Het is op dat domein dat we hen verder gaan opzoeken in het laatste hoofdstuk over “De menswording”. Maar voordien moeten we nog enkele harde wetenschappelijke noten kraken in het volgende deel.

(*) Edith en Alexander Tollmann, De Zondvloed: van mythe tot historische werkelijkheid, uitg. Tirion, Baarn, 1998, p. 244.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s