Geloof, mythe en werkelijkheid in creationisme en evolutietheorie.

Tijdberekening naar het verleden toe (vervolg)

Studies over de groei van de wereldbevolking tonen aan dat de huidige mensheid in vijf à zesduizend jaar kan teruggaan tot één ouderpaar. Als de mens dus al enkele miljoenen jaren op aarde zou leven, dan zouden er nu evenveel mensen als bacteriën zijn.

-Com: Zulke “studies” hebben geen enkele wetenschappelijke waarde daar er te veel onbekenden in voorkomen, zoals de effecten van oorlogen, rampen en epidemieën. Als men een gelijkaardige “studie” zou maken over dinosaurussen, of neanderthalers, of paarden, dan zou men op die manier kunnen aantonen dat die levensvormen onze aarde nu moesten vullen, terwijl er in werkelijkheid geen dinosaurussen of neanderthalers meer zijn en dat het paard bij de ontdekking van Amerika al duizenden jaren niet meer voorkwam op dat continent.

Tijdens de vorming van stollingsgesteenten worden er radioactieve elementen in opgenomen, zoals uranium of polonium. Het verval van deze elementen veroorzaakt karakteristieke bolvormige kringen of “halo’s” in de gesteentekristallen. Men neemt aan dat een gesteente als graniet bv. jaren heeft nodig gehad om vanuit de vloeibare toestand naar de vaste over te gaan. Toch vindt men halo’s van polonium in de kistallen, alhoewel polonium na zijn vorming in enkele dagen volledig vervalt. De halo’s zouden zich dus niet hebben kunnen vormen in een vloeibare massa. Dr. Robert Gentry concludeerde daaruit dat granieten onmiddellijk in vaste toestand geschapen zijn.

-Com: Hier moeten wij Mevr. Oosterwijck, professor en specialiste in kristallisaties, aan het woord laten, die in de al geciteerde uitgave van Cahiers d’Edifa werd ondervraagd en waarvan de commentaren getuigen van grote onderlegdheid. Zij bevestigt dat de typische granietmineralen in enkele dagen kunnen gevormd worden, in tegenstelling tot de lange stollingstijd die men voorheen aannam. Zij heeft een creationistische instelling en kan hier dus als onverdachte bron worden beschouwd.

Fossielen ontstaan ten gevolge van een snelle begraving, vooraleer de betrokken wezens konden verrotten. Het grote aantal fossielen in de gesteenten wijst op één grote catastrofale begraving.

-Com: Fossielen moeten niet noodzakelijk snel begraven worden. Zij moeten wel op een of andere wijze een verhardingsproces ondergaan, door uitdroging bv. of door het insijpelen van verhardende elementen. Negatieve fossiele sporen kunnen eerst verhard zijn, nadien overdekt geworden met een beschermende laag en tenslotte door compactatie stevig in het uiteindelijke gesteente verankerd worden.

Tussen de gesteentelagen vindt men maar zelden sporen van de bodemlaag die zich normalerwijze aan de oppervlakte van een afzetting vormt door inwerking van de buitenwereld, nadat zij voltooid is. Dit wijst erop dat alle sedimentlagen in éénmaal zijn afgezet (tijdens de zondvloed).

-Com: Op mariene afzettingslagen die tijdens hun ontstaan ondergedompeld bleven en die een groot deel van de totaliteit van de gesteentelagen uitmaken, werden geen bodemlagen gevormd. Aan de bovenzijde van veel terrestrische afzettingen zal men echter evenmin sporen van een bodemlaag terugvinden. Als men goed toekijkt zal men begrijpen waarom: de scheidingslijn met de bovenliggende laag verloopt in heel wat gevallen niet parallel met de richting van de onderkant van de onderliggende afzettingslaag (dit noemt men discordantie). Dit toont aan dat de bovenkant van die onderliggende laag door erosie in een bepaalde richting werd afgesleten, omdat ze door opstuwende krachten niet meer horizontaal gelegen was. De eventueel voordien gevormde bodemlaag verdween aldus. Als de erosie het contactvlak onregelmatig gemaakt heeft, spreekt men van “disconformiteit”.

Rechtopstaande gefossiliseerde boomstammen doorkruisen dikwijls verschillende steenkoollagen. Die kunnen dus onmogelijk een lange afzettingsperiode vertegenwoordigen.

-Com: Deze bomen horen bij de laag ter hoogte van hun wortels en zijn rechtopstaand gefossiliseerd. De steenkoollagen hebben zich langs hun stammen opgestapeld. Gefossiliseerde rechtopstaande boomstukken kan men ook aan de huidige aardoppervlakte aantreffen, o.a. in Colorado. Op andere plaatsen, zoals in het Nationaal Park van Yellowstone, vindt men ettelijke lagen met verticale boomstronken boven elkaar op verschillende hoogtes.

De plooiingen in de gesteentelagen bewijzen dat de vervorming plaatshad terwijl het gesteente nog zacht was, anders zouden de lagen niet geplooid maar gebroken zijn. Het gesteente werd dus vervormd toen het nog zacht was, dadelijk na de afzetting (tijdens de zondevloed).

-Com: de plooiingen van harde lagen waren wel degelijk mogelijk omdat de vervorming zeer langzaam verliep, gespreid over miljoenen jaren. Waar de spanning te hoog opliep ontstonden scherpe breuken, o.a. “horsten” vormend.

Er worden nog andere argumenten aangehaald, o.a. met menselijke voetsporen nabij dinosaurussporen, enz., maar die “spectaculaire” vondsten worden niet gestaafd met de verwijzing naar enige degelijke bibliografie hierover en de argumentatiestijl doet eerder denken aan Erich von Däniken, in zijn boek over de zogenaamde astronauten-goden. Men toont bv. een kleibeeldje van een zittende vrouw die met een “kleine dinosaurus” speelt. Het is duidelijk dat hier een leguaan betreft.

Een objectieve absolute tijdberekening is veel eenvoudiger te realiseren naar de toekomst toe dan naar het verleden. Vooruitgaand kunnen we onze berekeningen controleren en gaandeweg bijsturen, maar teruggaand zijn wij aangewezen op vastgelegde dateringen, op natuurfenomenen met een vaste periodiciteit en op hypothesen die zo goed mogelijk gestaafd worden door hedendaagse waarnemingen. De herhaalbaarheid, die een basisvoorwaarde der wetenschappelijkheid is kan dikwijls maar gedeeltelijk, zijdelings of helemaal niet bereikt worden.

Een goed voorbeeld van een herhaalbare berekening naar het verleden toe is de ouderdomsbepaling van hout op basis van de jaarringen die het vertoont (dendrochronologie). Door de ringpatronen van opeenvolgende boomgeneraties aan elkaar te koppelen kunnen we houtresten dateren tot enkele duizenden jaren terug. De warven-methode bestaat uit het tellen van de karakteristieke laagjes die jaar na jaar werden afgezet door het smeltwater van de zich terugtrekkende ijskap. Hiermee kunnen we tot meer dan tienduizend jaar teruggaan.

Absolute dateringen van oudere fenomenen of gebeurtenissen kunnen grofweg bekomen worden door schattingen op basis van actuele chronologische gegevens. Het volgende voorbeeld is gemakkelijk te berekenen. We weten uit metingen dat Zuid-Amerika en Europa uiteendrijven met twee centimeter per jaar in elke richting en het is overtuigend aangetoond dat beide vastelanden eens verbonden waren. De oceaan die hen nu scheidt is ongeveer vijfduizend kilometer breed. Als de snelheid van 2+2 cm/jaar dezelfde is gebleven moeten zij ongeveer 125 miljoen jaar geleden gescheiden zijn. (De actuele datering bedraagt 200 miljoen jaar).

De absolute tijdsmetingen steunen echter vooral op de gekende snelheid van het verval van enkele radioactieve elementen. De resultaten van de onderscheiden methodes vullen elkaar aan en confirmeren elkaar in grote trekken. Desondanks worden zij verworpen door creationistische deskundigen, met tegenwerpingen die gedeeltelijk juist zijn. Er zijn zeker en vast onbekenden die de dateringen kunnen vervalsen. Ongetwijfeld werden er daardoor fouten gemaakt, die op hun beurt andere fouten hebben geïntroduceerd, aangezien de toewijzing aan een bepaald tijdvak dikwijls onrechtstreeks gebeurt, vooral door vergelijking met een gelijkaardig fenomeen (een laag met dezelfde fossielen bv.), of door situering ten opzichte boven- of onderliggende gedateerde lagen.

Dit is de reden waarom absolute dateringen, die niet overeenstemmen met de relatieve ouderdomsbepalingen bekomen op basis van andere gegevens, regelmatig door de onderzoekers worden verworpen. Dit kan een logische en legitieme werkwijze zijn, als de verworpen datering gepubliceerd wordt met de vermelding waarom zij niet werd aangenomen. De betrouwbaarheid van de absolute dateringen is dus niet altijd gegarandeerd. Maar dit betekent niet dat dergelijke “fouten” opzettelijk gebeuren, of dat zij zodanig systematisch voorkomen dat daardoor de wetenschappelijke waarde van de courante dateringsmethodes ernstig wordt aangetast. De waarschijnlijkheidsgraad verbonden aan de nu gebruikte meetmethodes wordt voortdurend getoetst, met wiskundige formules uitgerekend, en de foutmarges worden samen met de gemiddelde meetresultaten aangegeven. De beste resultaten worden bekomen door verscheidene meetmethodes toe te passen.

Het wetenschappelijk belang van dateringen is zo groot dat zij permanent aan een kritische evaluatie worden onderworpen. Mevr. Oosterwijck slaat m.i. de bal mis als zij het geheel der huidige dateringsystemen verwerpt, omdat de specialisten van onderscheiden vakgebieden blindelings elkaars dateringen overnemen en aldus vicieuze cirkels van ongecontroleerde tijdbepalingen creëren. Haar kritiek is immers slechts gedeeltelijk gefundeerd.

Tot slot van dit overzicht, geven we een bondige voorstelling van een absolute dateringsmethode die niet te lijden heeft van de voornaamste foutmogelijkheden bij metingen op basis van radioactief verval (zoals de onzekerheid over de oorspronkelijke of voormalige verhoudingen der radioactieve elementen en over verlies of toevoeging van vreemde elementen). De splijtsporen- of “Fission Track”-datering is gebaseerd op het feit dat Uranium 238 niet alleen vervalt tot lood, maar ook een spontane splijting ondergaat. De twee hierdoor ontstane kernen worden in het omringende materiaal geslingerd, hetgeen microscopische “kraters” nalaat in glasachtig materiaal. De splijtingssnelheid is constant, het aantal kraters kan geteld worden en de hoeveelheid Uranium 238 vóór de eerste kratervorming kan met een aparte techniek berekend worden. Met deze gegevens kan men de tijdsduur berekenen sinds de laatste stolling van bepaalde vulkanische gesteenten. Hiermee kan men heel accuraat ouderdommen bepalen van duizend tot meer dan tien miljoen jaar. De resultaten van andere metingen (vooral die met de kalium-argonmethode) kunnen hiermee worden geverifieerd, een controlemogelijkheid die de veronderstelde stabiliteit van de halveringssnelheden bevestigt.

In het volgende deel nemen we de darwinistische evolutietheorie op de korrel.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s