God en de Wetenschap

Het wezen der werkelijkheid

In het voorgaande werd getracht een beknopt overzicht te geven van enkele bevindingen waartoe natuurkundigen na een eeuw denk- en zoekwerk zijn gekomen. Steeds meer onder hen beschouwen het universum als een reusachtig tafereel van informatieverwerking.

De auteur meent dat deze wetenschappelijke revolutie zal leiden tot een derde tijdperk van de fysica: na de inventaris van de bewegingen door Galilei, Kepler en Newton en de kwantumfysica die de inventaris opmaakte van de wetten die de veranderingen beheersen, zou de volgende stap erin bestaan het waarom van de natuurwetten zelf te ontcijferen. Zijn enthousiasme wordt evenwel getemperd door de opmerking van Grichka Bogdanov die zegt dat de fundamentele processen op het niveau “informatienetwerk” voorbij de wereld der elementaire deeltjes ligt. De techniek zou dit probleem moeten oplossen. Hoe dat kan gebeuren is absoluut niet duidelijk, gezien we zoals hiervoor uitgelegd onherroepelijk botsen op de grensmuur van Planck.

De kwantumtheorie liet het bovendien niet bij een inventaris, maar ging de werkelijkheid nog grondiger analyseren. Zij kwam tot de bevinding dat als een object wordt waargenomen op het atomair niveau het bestaan zelf ervan of zijn werkelijkheid in verband staat met de wijze waarop we het waarnemen.

Ter illustratie van dit mysterieus verband wordt een befaamde proef aangehaald, voor het eerst uitgevoerd door Thomas Young in 1801. De opstelling ervan is vrij eenvoudig: een oppervlak met twee smalle verticale spleten, met ervoor een lichtbron en erachter een scherm. De figuur die op het scherm geprojecteerd wordt vertoont eigenaardig genoeg een patroon van afwisselend donkere en lichte strepen. Dit is een typisch interferentie-patroon en de logische conclusie van Young was bijgevolg dat het licht een fluïdum is dat zich met golfbewegingen voortplant. Maar Einstein stelde dat het licht bestaat uit elementaire deeltjes, de fotonen. De vraag is dan hoe deze wervelende deeltjes zulk een precies patroon kunnen vormen. Het blijkt daarenboven dat als men vanuit de sterk verzwakte lichtbron foton per foton “afvuurt” de impactplaats van een foton (en dus het gedrag ervan) gewijzigd wordt door een der twee spleten af te sluiten. Het deeltje schijnt dus te “weten” of de spleet al of niet gesloten is. Sterker nog: als men proefondervindelijk wil nagaan door welke spleet elk foton gaat dan gedraagt elk deeltje zich precies als mag worden verwacht van een deeltje dat door een spleet gaat en de totaliteit van de impacts vormt geen interferentiefiguur op het scherm. Bekommert men zich niet om het volgen van hun baan tijdens de proef, dan ontstaat deze figuur wel.

Deze proef geeft aanleiding tot heel vergaande conclusies en controversiële beschouwingen, waarbij men verzeild geraakt in een voor leken enorm verwarrende kwantumwereld waarin grote geleerden de meest buitenissig lijkende stellingen aannemen. De atoomgeleerde Niels Bohr antwoordde als volgt wanneer iemand hem een nieuwe verklaring van de raadsels van de kwantumtheorie voorlegde: “Uw theorie is gek, maar niet gek genoeg om juist te zijn”. Enkele van de voornaamste mogelijke hypothesen zijn: – de deeltjes beschikken over een soort bewustzijn, – er bestaan parallelle werelden die ofwel alle even reëel zijn maar waarvan we er slechts één waarnemen, ofwel slechts virtueel zijn en waarvan er slechts één door de waarneming reëel wordt, – alles staat met alles in verbinding.

Jean Guitton gaat ervan uit dat de proef bewijst dat de waarneming en dus ons bewustzijn een rechtstreekse invloed heeft op het gedrag van het deeltje. Zijn besluit is dat de geest zich bevindt in de nabijheid van de onzichtbare uitersten van deze wereld. Daar, in de raadselachtige diepte van de kwantumtheorie, kunnen onze menselijke geesten en Gods geest elkaar ontmoeten. Het onvoorspelbare gedrag van de deeltjes ziet hij als een bewijs dat we in een niet gedetermineerde wereld leven. Hij noemt de deeltjes “de dobbelstenen van God”. Het is dan aan ons om die dobbelstenen de goede kant te laten uitrollen. De gebroeders Bogdanov schijnen dit te beamen, doch hun commentaren beperken zich tot een meer droog-wetenschappelijke uitleg. Volgens hen moet men afstand nemen van het idee dat het foton een bepaald object is. Het is een golffunctie of een “waarschijnlijkheidsgolf” zolang het niet waargenomen is en wordt slechts door de waarneming hetgeen wij een deeltje noemen. Een gelijkaardige redenering geldt voor de andere deeltjes.

In de daaropvolgende besprekingen wordt nog verder uitgeweid over het al dan niet bestaan van parallelle werelden die zich telkens weer opsplitsen bij elke nieuwe keuzemogelijkheid en waarvan wij er slechts één kennen. Die idee wordt door Jean Guitton, mijns inziens terecht, verworpen. Voorts belanden wij in een gedachtewereld waarin de gangbare concepten over materie, bewustzijn en geest verlaten worden en onder andere de vraag wordt gesteld of ons bewustzijnsveld niet tot hetzelfde continuüm als het kwantumveld behoort.

Zeker geen geschikte literatuur voor lezers die liefst met hun twee voeten in de alledaagse menselijke werkelijkheid blijven staan of die houden van overzichtelijke concrete gegevens. Ter hunner geruststelling alvast: ook de schrijver van dit artikel heeft enkele bedenkingen bij de prachtige, maar soms te bevlogen uitweidingen van de grote Franse filosoof.

Tussen al dit geweld van duizelingwekkende vondsten en wetenschappelijke Megatheorieën is er iets wat onvoldoende aan bod komt: de wetenschappelijke nederigheid die tot een grotere zelfkritiek leidt. Men kan zich de vraag stellen of de wetenschapslui de pedalen niet aan het verliezen zijn.

Het zou kunnen dat dit het geval is met de besluiten uit het hiervoor beschreven experiment. Men gaat uit van een wetenschappelijke waarneming om tot de conclusie te komen dat het de waarneming is die het resultaat bepaalt. Is dit geen typische kringredenering? We moeten er rekening mee houden dat men zich op kwantumniveau bij en over de grens van de menselijke waarnemingscapaciteit bevindt. In die omstandigheden gebiedt de wetenschappelijke voorzichtigheid rekening te houden met de ernstige mogelijkheid van waarnemings- en beoordelingsfouten. Kijkt men bijvoorbeeld in te sterk licht dan ziet men blinde vlekken, die uiteraard niet echt bestaan. Wetenschap is in laatste instantie steeds aangewezen op door mensen waargenomen feiten. Maar onze waarnemingsmarge is beperkt. We hebben tenslotte maar vijf zintuigen die een begrensd gamma van externe prikkels naar onze hersenen zenden. Sommige diersoorten, horen, ruiken, zien en voelen zaken waarvan wij geen benul hebben. Daarenboven is het geweten dat elke observatie of meting onvermijdelijk het gevaar van een zekere wijziging van het bestudeerde met zich meebrengt.

In het experiment van Young wordt de moeilijkheidsgraad mijns inziens op de spits gedreven. We gaan het medium zelf dat we nodig hebben om waar te nemen (het licht) waarnemen. Het was voorheen al niet duidelijk wat het licht eigenlijk is en na het lezen en herlezen van de verklaringen van de kwantumgeleerden is het er voor mij alleszins niet duidelijker op geworden. De enige zekerheden blijven dat het zich verplaatst met een snelheid van ± 300.000 km/sec. en dat het samengesteld is uit stralingen met bepaalde frequenties. Maar op de cruciale vragen “in wat plant het zich voort?” en “wat trilt er precies met die frequenties?” lijkt mij ook de kwantumtheorie geen bevredigend antwoord te geven. Vroeger sprak men van trillingen van de “ether”, maar dit begrip is volgens mijn woordenboek verouderd. En toch, zou het desondanks niet kunnen dat wat wij “vacuüm” noemen wel degelijk uit een trillend medium bestaat dat door ons niet kan waargenomen worden? Als men een stap terugzet en consequent rekening houdt met de beperktheid van ons waarnemingspotentieel, dan moet men de kans onder ogen durven zien dat er een vacuümmedium bestaat waarop de wetenschap geen vat KAN krijgen. Vanuit de hypothetische aanvaarding van zulk medium, kunnen de interferentie- en andere verschijnselen misschien beter of duidelijker verklaard worden, dan met de verwarrende woordenschat waarmee de kwantumtheorie de grenzen van onze kennis nu tracht te forceren.

Als we ervan uitgaan dat het “niets” niet kan bestaan, dan moet de ijzige leegte van de interstellaire ruimte nog met iets anders gevuld zijn dan met zwakke energierestanten. Dan is er iets dat een medium kan zijn dat alles met alles verbindt. In dat geval is de snelheid waarmee een lichtsignaal vanuit een bepaalde plaats geregistreerd kan worden op een andere, gemakkelijk te verklaren. Ook voor andere kwantumvraagstukken die we hier niet aanhaalden en waarbij onder andere het ene deeltje schijnt te weten wat er met het andere gebeurt, kan dan een hypothetisch maar logisch antwoord gevonden worden. En ook deze alternatieve aanpak uit de oude (ether)doos leidt tot een der hoofdbesluiten van de kwantumtheorie: alles staat met alles in continue verbinding.

De wiskundige orde van het universum

Tussen de schat aan boeiende informatie die de lezer in dit inspirerend boek als met de paplepel wordt toegediend, vinden we wiskundige gegevens die een gelovig hart van vreugde doen popelen. Zij maken ons duidelijk hoe precies en geniaal de wetmatigheden zijn uitgedokterd die tot het ontstaan van het heelal hebben geleid en het in stand houden.

In de schepping zijn ordenende krachten aanwezig die vooralsnog onverklaarbaar zijn, doch die wiskundig kunnen worden aangetoond. Als men verschijnselen kleinschalig observeert krijgt men dikwijls de indruk van chaos en willekeur, van deeltjes, atomen of voorwerpen zonder wetmatigheid in hun structuur of gedragingen. Als men dezelfde verschijnselen in groep of op grotere schaal bekijkt dan wordt het duidelijk dat er ongemerkt overal een ordening plaatsvindt. De chaos-specialisten noemen het model volgens hetwelk de zaken zich ordenen de “Vreemde Attractor”. Een voorbeeld is de uniforme verdeling van de materie in het universum. De waarneembare grootte van het heelal is van de orde van 10 tot de 28ste centimeter. Op die schaal heeft de totale materie een uniforme dichtheid, gemeten met een nauwkeurigheidsgraad van 10 tot de – 25ste. Op kleinere schaal heerst er echter heterogeniteit, met schijnbaar willekeurig verspreide sterrenstelsels.

Het gehele universum berust op slechts enkele constanten, die met een uiterste nauwkeurigheid kunnen worden berekend. De constante van Planck kwam al aan bod. Verder gaat het over de gravitatieconstante, de lichtsnelheid, de absolute nul temperatuur, enz… De allerkleinste wijziging hierin zou het universum zoals we dit kennen belet hebben te ontstaan. Als de dichtheid van het universum op 10 tot de – 35ste seconde na de oerknal slechts een miniem verschil zou vertoond hebben met de kritische dichtheid, dan was de verdere vorming ervan niet mogelijk geweest. Het berekend verschil met de kritische dichtheid op dat ogenblik is onwaarschijnlijk klein: rond 10 tot de -40ste. Eenzelfde perfecte afstelling vindt men bij alle andere parameters. Zou de elektromagnetische kracht een ietsje sterker zijn, dan zouden chemische reacties onmogelijk worden en bijgevolg ook DNA-vorming. En zo meer. Computers die voorgeprogrammeerd werden om toeval te produceren, zouden een miljard maal miljarden van miljarden jaren nodig hebben om getallencombinaties te vinden die vergelijkbaar zijn met deze die het leven mogelijk maakten.

Een symfonie van precies afgestemde getallen en machten werd ingezet bij de geboorte van tijd en ruimte in de volmaakte symmetrie van een onmogelijk kleine speldekop. Sindsdien begeleidde deze symfonie de ontketende krachten en de infernale schijn van wanorde. Zij bracht het laaiend geweld van het exploderend universum tot een dynamische harmonie, waarin tenslotte het leven ontlook, voorzien en berekend door de Oorzaak van al wat werd.

De twijfelende moderne mens moet geen vrees hebben dat de wetenschap God zou verdringen. De wetenschap behoort Hem toe en Hij gebruikt haar tot zijn glorie. De cijfers bejubelen zijn grootheid en genialiteit. Generaties van materialistische geleerden, die met hun blind geloof in chaos en toeval regimes in het leven riepen die met hun goddeloze ideologie ganse volkeren tiranniseerden, staan voor schut. Hadden zij met eenvoud die symfonie bestudeerd, dan hadden zij de grootsheid van de componist erkend, dan waren hen de materialistische schillen van hun ogen gevallen en zouden zij uiteindelijk hebben ingezien wat voor vele kleinen en ongeletterden spontaan duidelijk is.

De wetenschap toonde ons dat uit de schijnbare wanorde orde ontstaat. Maar wat is eigenlijk “orde”? Iets dat aan vaste wetmatigheden beantwoordt? Maar waarom precies die wetmatigheden? Wordt het geen tijd om orde te omschrijven als dat wat beantwoordt aan de wil van de Ultieme Grote Attractor?

Dwaalwegen der wetenschap

Het lijkt er op dat de wetenschappelijke wereld, verbijsterd door het eigenaardig gedrag der kleinste deeltjes, een slingerbeweging aan het maken is, van een uiterst sceptische overwegend materialistische instelling naar opvattingen die eerder spiritueel (of is het virtueel?) van aard lijken. Men gaat hierbij zover het bestaan zelf van wat wij de concrete werkelijkheid noemen afhankelijk te maken van de waarneming ervan.

In zulke context verlaat men het veilige pad der logica, het is te zeggen de wetmatigheden die ons denken (zouden moeten) beheersen. Zou immers de werkelijkheid afhangen van de waarneming ervan, dan zou niet alleen die welbepaalde waargenomen werkelijkheid pas ontstaan op het moment zelf dat wij er ons van bewust worden, maar ook de voorgeschiedenis ervan met haar eigen ketting van oorzaken en gevolgen, die op hun beurt weer gevolgen moeten gehad hebben op andere waargenomen werkelijkheden. Dit zou dan allemaal perfect moeten kloppen, op een wijze dat het geheel van de waargenomen feiten voor alle mogelijke waarnemers onderling een coherent geheel vormt.

Daarenboven moet men dan eens goed definiëren wat er onder “waarneming” wordt verstaan. Het zien? Het bewustzijn dat men iets ziet? Gelden hierbij ook de waarnemingen door andere wezens dan wij, of andere vormen van waarneming?

Hier worden de rollen omgedraaid. Het waarnemen is slechts een medium tussen ons en de werkelijkheid. Het effect van dit medium op de geregistreerde objecten is meestal klein, terwijl de impact op de waarnemer integendeel groot kan zijn. Het stimuleert bewustzijnssferen in de waarnemer en creëert er soms nieuwe. Als deze laatste de nieuwe toevoegingen aan zijn bewustzijn als de oorzaken van de geregistreerde werkelijkheid neemt, dan raakt hij op de dool in een waanwereld. De wetenschapper die in deze richting begint te denken meet zich opnieuw een goddelijke functie toe: ditmaal niet zomaar heer en meester over een neutrale materie die secundair wat geestelijke verschijnselen genereert, doch veel meer dan dat: zijn (wetenschappelijk?) bewustzijn creëert of dirigeert het bestaan zelf van de materie. Hij wordt tenslotte een kandidaat illusionist in plaats van een spiritualist of een metarealist.

Andere wetenschappers trachten de geconstateerde kwantumverschijnselen te verklaren met de al aangehaalde theorie van de zich steeds maar opsplitsende parallelle werelden waarvan wij er slechts één zouden kennen. Die metafysische opstelling lijkt verdacht sterk verwant met de zich meer en meer propagerende mentaliteit die ervan uitgaat dat alle verkondigde waarheden evenwaardig zijn: het “ieder zijn waarheid”, of in de variant van Pilatus: “Wat is de waarheid?”. Men opteert aldus voor een gemakkelijkheidsoplossing, die de zoektocht naar de waarheid die het menszijn karakteriseert, inruilt voor een fatalisme. In de val der meervoudige waarheden zijn intussen al heel wat ex gelovigen getrapt die zich om uiteenlopende redenen nog katholiek blijven noemen.

Filosofisch denken behoort tot de menselijke zoektocht. De centrale vraag is “Wat is zijn?”. Als we hierop een bevredigend antwoord trachten te formuleren dan merken we dat ons intellectueel instrumentarium tekort schiet. Ook het metarealisme zal daar niets aan veranderen. Hoe steviger we het wezen van het zijn in de greep trachten te krijgen, hoe meer het tussen onze vingers glipt. Er bestaat maar één werkende manier om dit op te lossen: ons instrumentarium aanvullen met geloofsgegevens, onbewijsbare grondwaarheden waarvan we nederig aanvaarden dat zij ons door het Opperwezen zelf ter beschikking werden gesteld, beantwoordend aan zekerheden die ergens diep in ons leven.

Jean Guitton verwoordt dit niet aldus, maar spreekt van zijn “intuïtie”. Denkers zoals hij zijn niet onfeilbaar, maar maken deel uit van de keten die wij nodig hebben om de taal te ontcijferen die God aan zijn schepping meegaf. Als we die beter beginnen te begrijpen, zal met hoogtes en laagtes, maar onweerstaanbaar, de chaotische wartaal van een zelfingenomen mensheid, plaats maken voor een aanzwellende en welklinkende hymne te zijner ere.

IVH

Één reactie op “God en de Wetenschap”

Men is het nog altijd niet eens over de vraag hoe de kwantumfysica eigenlijk moet geïnterpreteerd worden. Kwantumfysica gaat dan over in filosofische beschouwingen.
Niettegenstaande dat is men in staat een enorm aantal verschijnselen, ook op kwantumschaal, kwantitatief en zeer nauwkeurig te beschrijven, maar dikwijls slechts in statistische termen. Men kan daarbij voorspellen wat de mogelijke resultaten van een experiment kunnen zijn, en men kan de waarschijnlijkheid dat een bepaald resultaat gaat optreden nauwkeurig berekenen. Maar welk resultaat men in één bepaald experiment zal bekomen, is niet te voorspellen.

In de fysica wordt soms het volgende grapje verkocht. Twee fysici zijn bezig met een kwantummechanisch probleem in detail uit te werken en te berekenen. Zegt de ene tegen de andere : wanneer gaan we ons nu eens bezig houden met de interpretatie van de kwantummechanica ? Antwoord : zwijg en reken verder.

In de tijd van de verlichting dacht men dat het verloop van de wereld (gebeurtenissen, meningen van mensen, …) te voorspellen zou zijn als men de volledige toestand van het heelal in het heden, tot in de details, maar zou kennen. De kwantummechanica heeft een streep getrokken door dat idee. De toekomst kunnen we niet berekenen, zelfs al zouden we alle details weten over het heelal zoals het nu bestaat, en zelfs al beschikten we over onbeperkte rekenkracht.

Geliked door 1 persoon

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s