God en de Wetenschap

Het grenslandschap tussen het huidige kenbare en het eeuwige ondenkbare

Door: Jean Guitton en de gebroeders Bogdanov

————————————————————————–

Boekbespreking (1)

25-05-2018

Inleiding

In dit boek worden resultaten van wetenschappelijk werk besproken die de grenzen tussen het experimenteel vaststelbare en het domein van de geloofswereld doen vervagen. Die vervaging schijnt het einde van het klassieke materialisme in te luiden en confronteert ons met een nieuwe denkrichting die als het ware een synthese tracht te maken tussen de voormalige materialistische en spiritualistische stromingen. De auteur gaf er de naam “metarealisme” aan, omdat het een metafysica is die het wezenlijke van de werkelijkheid benadert op een wijze die het vroegere realisme ver overstijgt. Dit “realisme tot op het bot” valt uiteindelijk in het voordeel uit van het spiritualisme, terwijl het materialisme ontdaan wordt van zijn meest fundamentele grondslagen: het bestaan zelf van de materie en de allesoverheersende rol van het blinde toeval.

Twee hedendaagse fysici, Igor en Grichka Bogdanov vroegen aan Jean Guitton (2) om van gedachten te wisselen over deze ontluikende wereldvisie. Uit de daaropvolgende gesprekken ontstond dit werk, onder de vorm van een betoog in vraag- en antwoordvorm, doorweven met verwondering en onbevredigbare nieuwsgierigheid, volgens de beste van de filosofische tradities. De niet wetenschappelijk of filosofisch gevormde leek wordt al lezend stap voor stap op weg gezet naar de grenssferen van het huidige menselijk kennen. Terwijl hij geïntroduceerd wordt in de mysteries van onthutsende onderzoeksresultaten die een loopje schijnen te nemen met de elementaire logica, moet hij vaststellen dat heel wat van die kennis reeds geruime tijd bestaat en dat sommige elementen ervan al sinds de jaren negentienhonderd een vruchtbaar discussieplatform leverden voor beperkte kringen van grote fysici en andere topgeleerden. De traagheid waarmee hieruit nieuwe alomvattende visies tot stand komen en tot een breder publiek doordringen, staat in schril contrast met de snelheid waarmee de laatste ontdekkingen in nieuwe technologische ontwikkelingen worden omgezet.

Voor wie zich bekommert voor de geestelijke evolutie die mee het aangezicht van de eenentwintigste eeuw zal bepalen is dit een waardevol en leerrijk boek. Toch meen ik dat men tegenover sommige deelaspecten die ter sprake komen beter een extra kritische afstandelijkheid bewaart, zowel vanuit christelijk-gelovig als vanuit wetenschappelijk standpunt. De behandelde materies bestrijken domeinen die variëren van het onvoorstelbare kleine tot het onmetelijk grote. We zullen hiervan enkele voorname punten becommentariëren, inspiratie puttend uit hetgeen men een “christelijk realisme” zou kunnen noemen.

De muur van Planck

In 1900 beschreef de Duitse fysicus Max Planck het zogenaamd “actiekwantum”. Dit is een constante die de kleinste hoeveelheid energie voorstelt die in ons universum bestaat. Deze constante legt de uiterste grens vast van de deelbaarheid van de straling en daardoor van elke deelbaarheid: zij bepaalt onder andere de kleinst mogelijke afstand tussen twee ogenschijnlijk gescheiden objecten en de kleinst mogelijke tijdseenheid. Terecht plaatst de auteur ons voor de onthutsende vragen: Waarom bestaan deze grenzen en wie besliste erover? Wat bevindt er zich voorbij hen? Het kenbaar universum wordt hierdoor afgegrendeld als door een muur.

De studie der sterrenstelsels leverde ons de snelheid waarmee zij van zich van elkaar verwijderden. Door een berekening in de omgekeerde richting kan het ogenblik achterhaald worden waarop het ganse universum geconcentreerd was in een bolletje dat miljarden x miljarden x miljarden keren kleiner was dan een atoomkern. Het universum had dan een ouderdom van 10 tot de -43ste seconde: de “muur van Planck” genoemd. Verder kan de fysica niet gaan. De weinige fysici die meenden een glimp te hebben opgevangen van wat er zich voorbij die grenstijd bevindt, kunnen er geen zinnig woord over zeggen. Een van hen, die door Jean Guitton werd aangesproken, gaf de indruk een metafysische hallucinatie te hebben meegemaakt die hem voor het leven getekend had. Hij zag iets als een soort omgekeerde tijdsexplosie, waar de toekomst het verleden werd en de ogenblikken eeuwigheden.

Maar waarom zijn wij zo verbijsterd door het bestaan van deze onoverkomelijke grenzen, zoals deze vastgelegd door Planck’s constante? Is onze leef- en denkwereld niet opgebouwd uit begrenzingen? Al wat we kennen, waarnemen en differentiëren wordt juist gekarakteriseerd door zijn typische begrenzingen. Emmanuel Kant, de grootmeester der filosofische logica, maakte ons in de 18e eeuw al duidelijk waar de grenzen liggen van het menselijk bevattingsvermogen.

En toch blijft er iets magisch, iets onherroepelijks, aan uiterste begrenzingen. Ergens in ons binnenste blijven we hunkeren naar bevrijdende antwoorden op de vragen naar het waarom van onze binnentijdse realiteit en naar het hoe van een buitentijdse. En als we verder durven doordenken, welt ook de vraag op naar “Wie?”. Zoals elke grensafbakening plaatst de muur van Planck ons voor een teken. Daar staan wij dan: Iemand heeft stop gezegd: tot daar het universum van het kenbare, als een tijdseiland in een tijdeloze oceaan.

Het vacuüm

De kwantumtheorie is gebaseerd op de studie van de allerkleinste waarneembare deeltjes. Zij leidt tot conclusies die de hierin gespecialiseerde geleerden dwongen om zich hoe langer hoe meer in termen uit te drukken van metafysische tot zelfs religieuze aard. De fysicus John Wheeler zegt over het “iets” dat het begin der schepping voorafging: “Alles wat we kennen vindt zijn oorsprong in een oneindige oceaan van energie die uit het niets tevoorschijn komt”. Volgens de kwantum-natuurkundige David Bohm zijn tijd, ruimte, materie en universum “slechts een uiterst kleine kabbeling op een onderliggend geheel, dat zelf voortkomt uit een eeuwig scheppende externe bron”.

Richten wij onze aandacht naar de sterrenhemel, dan ontdekken we een ontelbare hoeveelheid hemellichamen. Doch de totaliteit van de duizelingwekkende massa ervan verzinkt in het niet tegenover de niet te vatten onmetelijkheid van het vacuüm waarin die massa als piepkleine korreltjes is uitgestrooid. Vervangen we vervolgens de telescopen voor microscopen, dan zijn we geneigd om aan vaste stof te denken, opgebouwd uit steeds kleinere onderdeeltjes. Maar ook dan komen we oog in oog te staan met een vacuüm, waarin we een gigantische hoeveelheid atomen vinden die echter bijna geen plaats beslagen. Elk atoom is op zich schier helemaal leeg, op wat elektronen en kerndeeltjes na, die ook al geen materiële objecten blijken te zijn. De kwantumfysica omschrijft ze als “bestaansneigingen” of “correlaties tussen macroscopisch waarneembare dingen”. De hedendaagse fysici dokterden een theorie uit die de samensmelting is van de vroegere relativiteitstheorie en de kwantummechanica: de “relativistische kwantumtheorie van de velden”. Hierin bestaat een deeltje niet op zichzelf, doch enkel via zijn uitwerking. Het geheel van uitwerkingen doet de “velden” ontstaan (elektromagnetisch -, gravitatie-, protonen-, elektronenveld).

Hoe machtiger de deeltjesversnellers worden waarover de kwantumspecialisten beschikken, hoe meer deeltjes men ontdekt. Men geeft er wetenschappelijk klinkende namen aan (fotonen, neutronen, hadronen, kwantonen, leptonen, …) of soms romantische, zoals “charm”. De allerkleinsten noemt men quarks. Hun bestaan wordt aangenomen, doch zij werden nog niet rechtstreeks waargenomen en worden door vele fysici als ongrijpbaar beschouwd. De levensduur van sommige deeltjes is soms zo miniem dat slechts de gevoeligste instrumenten hun optreden kunnen registreren. Maar wat is het uiteindelijk resultaat van al dat registreer- en onderzoekswerk?

De studie van het komen en gaan der fundamentele deeltjes en van hun werking en interacties, dwong tot een fundamentele herziening van de wetenschappelijke concepten over de waarneembare werkelijkheid. De materie maakte plaats voor een kwantumvacuüm geladen met energie. De elementaire deeltjes bevinden zich daarin of ontstaan en verdwijnen spontaan door zogenaamde “toestand fluctuaties”. Sommige meer stabiele deeltjes vormen via hun velden de atomen en aldus de objecten met hun schijnbare “vastheid”. Uit een vacuüm beladen met een bepaalde hoeveelheid energie kan dus spontaan materie ontstaan, hetgeen nu nog gedeeltelijk gebeurt onder de vorm van vluchtige deeltjes. De kwantumfysica oppert de veronderstelling dat de oorzaak van de oerknal de overdracht was van een onmetelijke energiestroom aan het oorspronkelijke vacuüm.

Wat de eigenlijke aard is van de deeltjes schijnt vooralsnog niet duidelijk te zijn. Een golfvorm, een energiepakketje, een reactie-verschijnsel, een mengeling van dat alles, of zoals al vermeld gemakshalve een “bestaansneiging”? De velden zelf zouden tenslotte informatievelden zijn. Dit alles heeft natuurlijk een speculatief karakter, vermits de fysici een theoretische studie maken over iets waar zij weinig of geen vat op hebben. Maar de aard van wat men niet rechtstreeks kan bestuderen kan blijken uit de gevolgen ervan. Moesten de veronderstelde velden geen zeer precieze en doelgerichte informatie bevatten, dan zouden zij nooit aanleiding kunnen geven tot de wereld die de onze is: een wereld van relatief stabiele objecten waarvan de interacties wiskundig voorspelbaar zijn en met een enorm gecompliceerde samenstelling van in evenwicht zijnde krachten en trillingen.

Ook hier weer is het slechts een kwestie van nederigheid en eerlijkheid om de stap verder te zetten en met ontzag de vraag te stellen naar het Wezen, dat deze onvoorstelbaar grote energiestromen beladen met informatie aan ons tijdseiland toebedeelde.

Tenslotte is er in het betoog van Jean Guitton en zijn gesprekspartners iets wat ik mis: namelijk de vraag naar de aard van het vacuüm zelf. Een volledig vacuüm bestaat in de praktijk niet, er is immers steeds een minimum aan straling overal aanwezig. Men spreekt daarom van een kwantumvacuüm, een begrip dat zijn diensten schijnt te hebben bewezen. Maar is er wel een “theoretisch vacuüm” mogelijk? Kan een al of niet begrensde ruimte vol met “niets” wel bestaan? Persoonlijk meen ik van niet. Het feit dat de werkelijkheid er IS, sluit mijns inziens de bestaansmogelijkheid van gelijk welk “absoluut niets” uit. Het vacuüm komt hierna nog ter sprake, wanneer we nog dieper de grond van de werkelijkheid uitspitten naar aanleiding van een intrigerende wetenschappelijke proef.

(1) Het hier besproken boek werd vertaald door Robert Strumane, doctor in de fysica en licentiaat in de wiskunde van de Rijksuniversiteit van Gent in 1992. Verdeling via Uitgeverij Westland nv, Schoten, 8.92.1054. Originele Franse uitgave : Dieu et la science, Ed. Grasset et Fasquelle, 1991.

(2) Jean Guitton (18 augustus 1901 – 21 maart 1999) was een Frans katholiek filosoof en theoloog.

Één reactie op “God en de Wetenschap”

Men is het nog altijd niet eens over de vraag hoe de kwantumfysica eigenlijk moet geïnterpreteerd worden. Kwantumfysica gaat dan over in filosofische beschouwingen.
Niettegenstaande dat is men in staat een enorm aantal verschijnselen, ook op kwantumschaal, kwantitatief en zeer nauwkeurig te beschrijven, maar dikwijls slechts in statistische termen. Men kan daarbij voorspellen wat de mogelijke resultaten van een experiment kunnen zijn, en men kan de waarschijnlijkheid dat een bepaald resultaat gaat optreden nauwkeurig berekenen. Maar welk resultaat men in één bepaald experiment zal bekomen, is niet te voorspellen.

In de fysica wordt soms het volgende grapje verkocht. Twee fysici zijn bezig met een kwantummechanisch probleem in detail uit te werken en te berekenen. Zegt de ene tegen de andere : wanneer gaan we ons nu eens bezig houden met de interpretatie van de kwantummechanica ? Antwoord : zwijg en reken verder.

In de tijd van de verlichting dacht men dat het verloop van de wereld (gebeurtenissen, meningen van mensen, …) te voorspellen zou zijn als men de volledige toestand van het heelal in het heden, tot in de details, maar zou kennen. De kwantummechanica heeft een streep getrokken door dat idee. De toekomst kunnen we niet berekenen, zelfs al zouden we alle details weten over het heelal zoals het nu bestaat, en zelfs al beschikten we over onbeperkte rekenkracht.

Like

Laat een reactie achter op Gilbert Knuyt Reactie annuleren

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s