Het ARM en de seksuele revolutie

HOOFDSTUK 2

De joods-christelijke visie aangaande de menselijke seksualiteit

“… gingen de poppen aan het dansen” staat ergens in het eerste hoofdstuk, in een passage die refereert naar de toestand die er heerste in de Kerk, vooral in de late middeleeuwen. In de tweede helft van de vorige eeuw gingen de poppen (papen?) opnieuw de danstoer op. Veel geestelijken sprongen op de kar van de seksuele revolutie, die zich aandiende vol beloftes en mogelijkheden die voorheen ondenkbaar of onbespreekbaar waren. Anderen liepen hoofdschuddend mee, want de schrik om als “oubollig” over te komen zat er al gauw goed in. Sommigen gingen zelfs zo ver om de leer van St Paulus zodanig te “hervertalen” dat hij tenslotte het tegenovergestelde betekende. Goed opgeleide goeroes van het slag van pater L.V., aarzelden niet om hun theorieën zonder complexen in daden om te zetten en de jeugd die in hun handen viel te “bevrijden” van lastige schaamtegevoelens. Episcopaten vouwden hun handen en sloten hun oren, ogen en mond. Lastigaards zoals het Vlaamse parlementslid A.C., die niet wensten mee te spelen in deze religieuze poppenkast, werden zelfs geïntimideerd… Het is nog wat vroeg om de geschiedenis en de balans van deze ontluisterende ontwikkeling op te maken, want we zijn nog volop puin aan het ruimen en het poppentheater is nog niet voorbij, want veel van de hoofdrolspelers zijn nog in functie.

We ontwaren hierin twee parallellen met de eerste “poppendans”: een (tot voor kort) nog relatief grote wereldse macht van de Kerk in sommige landen, in samenhang met het verwateren van de praxis en het onderwijs van de eigen leerstellingen, o.a. aangaande seksualiteit. Nochtans beschikt de Kerk over een prachtige visie ter zake, die kadert in het nieuwe gebod dat Jezus ons bijbracht: “Wees volmaakt, zoals uw hemelse Vader volmaakt is”.

In schrille tegenstelling tot de ontbindende artificiële constructies waarmee het ARM de geslachtelijke gedragingen van de mensen tracht te manipuleren, staan de coherente leerstellingen van de Kerk. Die zijn gestoeld op inzichten die leefden en vervolmaakt werden in het volk dat afstamde van Abraham (die naar schatting zo’n 4.000 jaar geleden leefde). Van de tien geboden die Mozes van God ontving zijn er twee (het zesde en het negende) die met de seksuele zedelijkheid te maken hebben. De wetten van Mozes werden nadien verder uitgewerkt in het Jodendom.  Christus tenslotte vervolmaakte de Mozaïsche wet, door hem onvoorwaardelijk te kaderen in de wet van de liefde tot God en de medemens. Uit de Bijbelteksten kan men afleiden dat deze zedelijke traditie, die zich gaandeweg ontwikkelde en verfijnde, zelfs teruggaat tot de beginfase der mensheid. Met veel voorbeelden illustreren de Bijbelse geschriften wat de gevolgen zijn van opvattingen en handelingen die afwijken van Gods voorschriften.

Sommigen zullen zich terecht afvragen: hoe weten jullie zo zeker dat dit Gods voorschriften zijn en wat is “volmaakt zijn”?

Volmaakt zijn in de zin die Jezus bedoelde is “volkomen beantwoorden aan Gods bedoelingen”. Daartoe moeten we Gods voorschriften volgen en die kennen we uit verschillende bronnen: uit de aangeboren stem van het niet misvormde geweten, uit de woorden van de profeten die, door God geïnspireerd, dit geweten gestalte gaven en ook nu nog geven, uit de menselijke ervaringen die ons de gevolgen tonen van gedegenereerde zedelijke gedragingen, en uit de woorden van Christus, opgetekend in de Evangeliën. We leren hieruit dat Gods hoofdopdracht voor de mens op aarde de zorg is voor het leven. Het mooiste voorbeeld hiervan, waar we het meest vertrouwd mee zijn, is het moederschap.

In de plaats van het zedelijk “doe maar op” van de ARM-activisten, hun handleidingen over de beste technieken om een dergelijke gedragswijze probleemloos te laten verlopen en het moorddadig arsenaal waarmee zij de gevallen waarin het toch fout loopt trachten aan te pakken, plaatst de kerkleer de onderrichtingen die behoren bij Jezus’ blijde boodschap. De Kerk heeft tot taak die leerstellingen te verhelderen, te onderwijzen en voor te leven, zodat zij in iedere concrete situatie van vandaag kunnen toegepast worden. Deze artikelenreeks wil zich inschrijven in deze aller-noodzakelijkste opdracht, ten dienste van hen die zoeken naar een eerlijk houvast op hun levensweg en als een van de vele inspanningen die noodzakelijk zijn om onze medemensen te redden uit de modderpoel van de ARM-indoctrinatie.

De kerkelijke visie is doelgericht. De door haar onderwezen gedragslijnen staan eerst en vooral ten dienste van de doorgave van het menselijk leven in ideale omstandigheden. Dit doel beantwoordt aan de (in het vorige hoofdstuk al aangehaalde) biologische ontstaansreden van de seksualiteit en aan onze plaats in Gods schepping. Verder bevorderen de kerkelijke onderrichtingen de eenheid tussen man en vrouw, zodat zij naar best vermogen in harmonie met zichzelf en hun omgeving zouden leven. Deze harmonie schenkt op haar beurt het ideale opvoedingsklimaat voor hun kinderen. Daarenboven verzekeren zij een belangrijk aspect van het opvoedkundig gebeuren: de ontwikkeling van een stevig gefundeerd identiteitsgevoel. Wat zeker niet hierbij hoort is een negatieve houding tegenover het seksueel instinct op zich. Het kan onze zwakke menselijkheid soms “in bekoring leiden”, maar het maakt onlosmakelijk deel uit van Gods plan en de wetmatigheden volgens welke Hij het geschapene liet evolueren.

Een seksuele opvoeding die zich met recht “christelijk” noemt (en zeker een “katholieke”) kan er niet omheen: de mens is zwak en algauw geneigd om zijn instinctieve (al of niet geperverteerde) verlangens belangrijker te vinden dan zijn religieuze, maatschappelijke, pedagogische en andere verplichtingen. Daarom leert zij de jeugd wat “kuisheid” is en waar “ontucht” begint. (Twee woorden die in de hedendaagse litteratuur niet dik bezaaid liggen). Vooraleer wij verder hierover uitweiden wil ik sommige lezers waarschuwen dat de authentieke leer van de Kerk niet buigt voor het menselijk falen, maar onderwijst hoe het moet, niet hoe het “zou moeten” of hoe “het ook kan”. Wie hieraan niet beantwoordt wordt niet veroordeeld (dat kan enkel God), maar wordt een spiegel voorgehouden. Wie daar niet durft of kan in kijken, is uiteraard vrij om hem opzij te leggen, maar de spiegel blijft in ieder geval ter beschikking, tot het einde der tijden zelfs.

Het zesde gebod zegt dat we geen onkuisheid mogen begaan. De Kerk is hier duidelijk in (maar die duidelijkheid is bij ons om populistische redenen de laatste jaren niet meer aan bod gekomen). Seksuele relaties, in het bijzonder de geslachtsdaad zelf, zijn slechts veroorloofd binnen een onontbindbaar huwelijk. Wij moeten alle gelegenheden vermijden die ons van deze “weg der volmaaktheid” afhouden. Vijftig jaar geleden slaagden veel mensen in die opdracht. Waarom zou dat nu niet kunnen?

Het negende gebod verbiedt “in ons gemoed” onkuise gedachten te koesteren, waarmee we intern onze zinnen op ongeoorloofde seksuele daden zetten. Dit sluit aan bij de woorden van Jezus “Wie een andere dan zijn vrouw met begeerte bekijkt, heeft in zijn binnenste al zonde begaan”. Zeker geen gemakkelijke opdracht in een tijd waarin pornografie te grabbel wordt gegooid en waar massale seksstoeten van overheidswege worden gesubsidieerd.

In nauw verband met de hier behandelde onderwerpen staan de sublieme teksten die Mgr. Léonard schreef over het “Sacrament van het huwelijk”. Zij worden, met zijn toestemming, hier eveneens gepubliceerd, onder de gelijknamige titel (°). Een absolute aanrader voor wie zoeken naar een degelijk onderricht over het christelijk huwelijk.

(°) Zie de rubriek “Catechese”

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s