Het ARM en de seksuele revolutie

HOOFDSTUK 4 (a)

Afwijkingen en perversies in de seksualiteitsbeleving

  • Situering

Wij citeren uit de jongerengids, een ideologisch geïnspireerd werkstuk, dat in tegenspraak is met de leer van de Kerk en goed aansluit bij stellingen die het ARM propageert. Het wordt door de huidige Vlaamse onderwijsminister, Pascal Smet, aan de schoolgaande jeugd opgedrongen:

Sommige jongens kussen elkaar uit vriendschap of respect. Sommige jongens tongzoenen elkaar omdat ze eens willen experimenteren. Andere jongens kussen elkaar als ze ontluikende gevoelens hebben voor jongens en dus misschien holebi zijn. Of ze dat echt zijn, beslissen zij helemaal zelf. Dat geldt natuurlijk ook voor meisjes. Heb je vragen over je geaardheid? Dan kan je zeker terecht bij de Holebifoon. Andere aanraders zijn

Het is een merkwaardig staaltje van jongleren met termen. Er wordt gesteld dat iemand helemaal zelf “beslist” of hij/zij holebi is.  Bij twijfel zal de “Holebifoon” de knoop wel helpen doorhakken. Dadelijk daarop spreekt men van “geaardheid”. Maar een geaardheid is niet iets waarover men “beslist”. Het is iets wat iemand fundamenteel bepaalt, tot in het diepste van zijn/haar vezels. Daar valt niets over te beslissen of te discuteren. Het woord geaardheid komt van “aard” en dat woord verwijst naar de aarde, die de basis is van al wat goed vaststaat.

Om de onderscheiden vormen van homo- en biseksualiteit de gewenste gelijkberechtiging met heteroseksualiteit te geven, werd hieraan het statuut van seksuele “geaardheid” toegekend. Men beriep zich op eenzijdig geselecteerde wetenschappelijke werken die trachtten aan te tonen dat homoseksualiteit iets “normaal” is, om de term geaardheid ingang te doen vinden. Die strategie van de homolobby’s kende uiteindelijk succes. Hierover geven we even het woord aan Dirk Baeten, die de argumentaties van de jongerengids van objectieve commentaren voorzag:

De normalisatie van homoseksualiteit is begonnen met de beslissing van de A.P.A. in Amerika om homoseksualiteit niet meer als parafilie (afwijkend) te erkennen, als seksuele stoornis. De argumenten die daarvoor gebruikt werden, kunnen echter even goed op bijvoorbeeld sadomasochisme worden toegepast. Het belangrijkste argument was namelijk dat een seksuele stoornis steeds gepaard gaat met een stoornis op een ander vlak. Als iemand dus sociaal, intellectueel normaal functioneert dan kan er dus ook geen sprake zijn van een seksuele stoornis. Dat is nu net wat men ook over bijvoorbeeld sadomasochisme kan zeggen. Het verschil is dat alleen in zake homoseksualiteit er een sterke drukkingsgroep is ontstaan die er mee voor gezorgd heeft dat dit niet meer als seksuele stoornis erkend wordt.

Het zeer eigenaardige aan de kronkelredeneringen die in dit verband gebruikt worden en die in de gendertheorie verder werden ontwikkeld, is dat men er enerzijds op hamert dat seksualiteit geen vaststaand gegeven is en dat iemand onder bepaalde omstandigheden dus van seksuele voorkeur kan veranderen. Dit schijnt wel degelijk vast te staan, want er bestaan voldoende voorbeelden van. Maar dit bewijst anderzijds juist dat het foutief is om een term als “geaardheid” in de plaats te stellen van “voorkeur”, als men het heeft over homofilie. Een mens is wel degelijk in staat om heel wat van zijn voorkeuren te veranderen, zelfs in meerdere of mindere mate zijn seksuele voorkeur(en), maar niet zijn geaardheid, want dit laatste behoort tot zijn wezen zelf. Het sterkst komt die tegenstrijdigheid tot uiting bij biseksualiteit. Hierbij zou men moeten uitgaan van een schizofreen overkomende situatie met twee niet compatibele “geaardheden”, de ene gericht op het gelijke (homo) en de tweede op het andere (hetero).

  • De aard van de seksuele geaardheid

De seksuele aard van iemand, in de echte zin van dit woord, is die welke behoort bij zijn wezenskenmerken en die zijn genetisch vastgelegd. Iemand met een X en een Y chromosoom in zijn cellen is helemaal, door en door een man. Iemand met twee X chromosomen erin is, of zij dit graag heeft of niet, volledig vrouw. De twee zijn dus wezenlijk geslachtelijk gedifferentieerd en die differentiatie beantwoordt aan een natuurwet: dat ieder genetisch normaal mens eenslachtig is, dit wil zeggen voorzien van het nodige om te kunnen zorgen voor zijn of haar gedeelte van het menselijk voortplantingsproces. Iemand wiens voorkeur niet beantwoordt aan deze wezenlijke functionaliteit is in tegenspraak met aard en bedoeling van het seksuele voortplantingssysteem en met de aard van zijn/haar potentieel aandeel hierin. Die voorkeur is bijgevolg afwijkend of abnormaal ten aanzien van de hier behandelde natuurwet.

Men moet geen specialist ter zake zijn om uit de eigen waarnemingen te kunnen opmaken dat zowel aantrekking naar het andere geslacht als een tijdelijke distantiëring tijdens de groei, zich spontaan manifesteren en dat dit natuurlijk proces al bij zeer jonge kinderen aanvangt (vóór er sprake kan zijn van een zogezegd culturele beïnvloeding). De normale ontwikkeling van deze spontane gevoelens en de erbij horende gedragingen kan op verschillende wijzen ernstig verstoord worden, bv. als het kind geconfronteerd wordt met seksueel misbruik en des te erger als dit komt van volwassenen van hetzelfde geslacht. Ook de houding van de ouders (of van één van hen) kan volgens psychiaters de normale ontwikkeling van de geaardheid van het kind in een verkeerde richting sturen (bv. door een al te possessief gedrag tegenover het kind). Volgens sommigen kan die verstoring zich zelfs al voordoen in de moederschoot, maar is hij desondanks geneesbaar. In een cultuur waarin men een artificiële kijk op seksualiteit heeft geïntroduceerd, die daarenboven “bevrijd” werd van zoveel mogelijk remmingen, is de kans natuurlijk veel groter op een ernstige verstoring van de normale seksuele ontwikkeling van het opgroeiend kind.

De fundamentele differentiatie in twee geslachten is zelfs zo diep in het onderbewustzijn van de mens gegrift, dat in het taalgebruik automatisch alles zoveel mogelijk in mannelijk en vrouwelijk wordt ingedeeld (Germaanse talen hebben er het onzijdig aan toegevoegd, voor abstracte begrippen of gevallen waarin het geslacht niet gekend is). Oosterse wijsgeren namen de differentiatie tussen het mannelijke en het vrouwelijke op in hun yin en yang theorieën. Een mens die zonder chromosomale afwijking geboren is, is bij leven onafscheidelijk verbonden met een van de twee fundamentele geaardheden die de natuur ontwikkelde. Ons christelijk geloof leert ons dat in het hiernamaals, waar er geen dood is en dus geen behoefte aan voortplanting, ook de geslachtelijke aard geen biologische functie meer heeft. Ons nieuwe lichaam zal dan door God gesublimeerd (gezuiverd en vergeestelijkt) en tijdloos zijn, bevrijd van de geslachtsdrift.

Recent verscheen een bericht van FIAMC, de Internationale Federatie van verenigingen van Katholieke artsen, waarin nogmaals bevestigd wordt dat homofilie, mits ernstige inspanningen, veranderbaar is (°). Er bestaan hiervan al een aantal succesvolle voorbeelden. In omgekeerde richting schijnt de overschakeling naar een andere seksuele voorkeur meestal minder problematisch te zijn en zij wordt door de homolobby’s uiteraard aangemoedigd. Er wordt hierbij dikwijls geschermd met de argumenten dat homofilie aangeboren is, dat 10 percent van de mensen homofiel zijn en dat homofilie ook in de dierenwereld voorkomt.

Dat laatste is een zeer bedenkelijk argument, want als we alles zouden willen toevoegen aan onze menselijke gedragingen wat in de dierenwereld voorkomt, dan betekent dit het spoedig einde van alle vormen van beschaving. Dit weerhoudt sommigen niet om koppig in die richting verder te denken. Het is trouwens de vraag of we het homoseksueel gedrag dat soms voorkomt bij sommige diersoorten wel altijd als “normaal” kunnen beschouwen. Dieren die in opgesloten kuddes leven gedragen zich anders dan dieren in vrijheid. In sommige gevallen, zoals bij de bavianen, gaat het duidelijk helemaal niet om een “geaardheid”, maar om een demonstratie van de dominantie van het ene mannetje over het andere. Wil men misschien zoiets ook in onze menselijke gemeenschappen invoeren? Anderzijds zijn dit heel interessante natuurwaarnemingen, die misschien meer licht kunnen werpen op sommige oorzaken van homoseksualiteit bij mensen (zoals bv. afzondering en groepsdruk – zie de situatie in gevangenissen). Maar de zoektocht naar de oorzaken is blijkbaar minder populair dan de promotie van het na-apen van de gevolgen.

Ondanks doorgedreven eenzijdige onderzoeksinspanningen is er geen enkel wetenschappelijk bewijs gevonden dat homoseksualiteit een genetisch bepaalde neiging is en bijgevolg behorend tot de aard van de betrokken persoon. We spreken hier wel over mensen met normale geslachtschromosomen. Over de sporadische gevallen waarin daaraan iets schort, zullen we het hierna hebben. Dit negatief resultaat versterkt de stelling dat homofilie in de meeste gevallen niets meer of minder is dan een psychologisch gestuurde voorkeur. We weten nog niet zoveel over de verschillende mechanismen die de verschillende vormen van homofilie op gang brengen, zoals we ook nog veel te weinig weten over vele andere afwijkingen. Maar statistisch is bv. wel aan te tonen dat kinderen die door ouderen met homofiele neigingen seksueel werden benaderd veel meer kans vertonen om later ook een homoseksueel en zelfs pedofiel gedrag te vertonen. Uit andere statistische gegevens, o.a. degene die vrijkwamen naar aanleiding van de misbruikschandalen in kerkelijke milieus, kunnen we daarenboven afleiden dat de grenslijn van een seksuele voorkeur die zich op minderjarigen toespitst, in homofiele kringen veel gemakkelijker overschreden wordt dan onder heteroseksuelen. Dit is een fenomeen dat vanouds bekend is. De Grieken spraken al van “knapenliefde”. Tegenwoordig noemt men dit efebofilie.

Wat het volkomen uit de lucht gegrepen fabeltje over 10 % homofielen betreft, kunnen we kort zijn. Wie beschouwt er 10% van zijn omgeving (één op 10) als homofiel? Als hier niemand positief op kan antwoorden en de meesten maximaal bij één percent uitkomen, dan is de conclusie dat we hier ofwel met een propagandacijfer te maken hebben, ofwel dat de overgrote meerderheid van de homofielen hun neiging, ondanks alle aansporingen om zich te “outen”, geheim houdt. Maar als dit geheim is, hoe kunnen de holibi-propagandisten het dan weten? Uit psychiatrische statistieken? Welke? Wat zou de wetenschappelijke waarde kunnen zijn van zulke zeer onwaarschijnlijke statistieken? Laten we dus meer realistisch zeggen dat één op honderd kans maakt om in een beduidende mate homofiele neigingen te hebben. Als men nu, in plaats van homofilie in schoolboeken als “normaal” te promoten, meer tijd en geld zou steken in onderzoek naar de milieus waarin de percentages hoger liggen dan het gemiddelde, dan zou dit ongetwijfeld meer interessante resultaten opleveren dan de hierboven aangehaalde steriele onderzoeken naar genetische oorzaken.

Een andere niet wetenschappelijke, maar veel gehoorde uitleg is dat homofilie een gevolg is van een verstoorde hormonenwerking. In sommige gevallen zou het natuurlijk kunnen dat iemand met een homofiele voorkeur toevallig ook een percentage aan bepaalde hormonen heeft dat eerder bij het andere geslacht hoort. Maar dit is meer de uitzondering dan de regel. Uit ernstige literatuur ter zake kan men afleiden dat ook mensen met een abnormale hormonale huishouding, een normaal heteroseksueel leven kunnen lijden.

(°) ROME, donderdag 9 juni 2011 (ZENIT.org) – Homoseksualiteit is een gesteldheid die men kan voorkomen, veranderen, dankzij gepersonaliseerde bijstand of groepsbegeleiding, maar die niet met medicatie zou kunnen bestreden worden, heeft José Maria Simon, voorzitter van de Internationale Federatie van Verenigingen van Katholieke Artsen (FIAMC), aan Zenit verklaard.

José Maria Simon merkt op dat veel homoseksuelen het object zijn van verslavingen en angst en dat, in zulk geval, het mogelijk is om hen te helpen met medicatie. Maar om de homoseksualiteit aan te pakken, zegt hij, moet medische bijstand verbonden worden aan pastorale zorg van de homoseksuele persoon.

De verklaring van de katholieke medische vereniging van de Verenigde Staten, “Homoseksualiteit en hoop”, spreekt de mythe tegen volgens dewelke homoseksuele aantrekkingskracht genetisch is bepaald en niet gewijzigd kan worden.

Het document “Homoseksualiteit en hoop” beweert dat, met de krachtige hulp van de genade, de steun van de gemeenschap en een ervaren therapeut, een vastbesloten persoon in staat zou moeten zijn om de innerlijke vrijheid te bereiken die Christus heeft beloofd.

Therapeuten en deskundigen, zo zegt het document, kunnen de patiënten helpen om de diepe oorzaken van emotionele trauma’s te ontdekken die aan de oorsprong liggen van de aantrekkingskracht voor hetzelfde geslacht.

N.v.d.r. Het gaat hierbij over een zeer delicate aangelegenheid. In verschillende landen is wat men “reconversietherapie” noemt intussen verboden, wegens het grote aantal mistoestanden en klachten. Men moet goed beseffen dat zulke behandeling heel ingrijpend is voor de betrokken persoon. Een behandeling tot verandering van geslachtelijke voorkeur mag enkel gebeuren op basis van volledige vrijwilligheid en zonder enige druk. Zij mag zeker niet gepaard gaan met het kweken van schuldgevoelens en mag enkel plaatsvinden in een medisch deskundig en wettelijk kader.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s