Het ARM en de seksuele revolutie

HOOFDSTUK 4 (b)

Afwijkingen en perversies in de seksualiteitsbeleving (vervolg)

  • Het kerkelijk standpunt

Vermits de zoektocht naar de oorzaken van homofilie een wetenschappelijke aangelegenheid is, is het niet de taak van de Kerk zich hierover uit te spreken. Zij doet dit ook niet (alhoewel er daarover binnen de Kerk natuurlijk wel wordt nagedacht en meningen geformuleerd), maar beschouwt homofilie als een ingrijpende stoornis in de menselijke psyche (°). Wat wel tot haar taak behoort is het doorgeven van Gods richtlijnen ter bescherming van het leven en de menselijke voortplanting. Als men daarbij onderwerpen moet aanboren die tot de heel intieme levenssfeer behoren, of waarbij gevoelens betrokken zijn die heel sterk en dwingend kunnen zijn, wordt deze wezenlijke opdracht extra delicaat. Zij wordt nog moeilijker en delicater in onze huidige westerse maatschappijen, waarin alles continu in vraag gesteld wordt en God en zijn geboden als minder of in het geheel niet meer relevant worden beschouwd. Ook in katholieke kringen is er de laatste decennia een groeiende onenigheid en zelfs een openlijke tweespalt over de juiste houding tegenover het fenomeen homoseksualiteit. Modernistische gelovigen zullen het waarschijnlijk oneens zijn met wat volgt, maar kunnen niet ontkennen dat het in overeenstemming is met de continue Bijbelse en Kerkelijke leer.

Ten gevolge van de wereldwijde homopropaganda (geïnspireerd door stromingen afkomstig van het ARM), evenals de invoering in heel wat landen van het homohuwelijk en de toelating tot adoptie door homoparen, groeide bij velen, ook onder de katholieke clerus, de overtuiging dat homoseksuele relaties evenwaardig zijn aan heteroseksuele. Daarbij wordt een essentieel verschilpunt uit het oog verloren, namelijk dat het christelijk huwelijk inherent verbonden is met voortplanting (in de mate van het mogelijke natuurlijk) en de daaruit voortkomende verantwoordelijkheden. Dat is uiteraard onmogelijk bij homokoppels, behalve als daarbij artificieel een derde wordt geïntroduceerd (rechtstreeks of via ivf). Dat betekent dat homorelaties in het overgrote deel van de gevallen niet dezelfde verantwoordelijkheden met zich meebrengen als deze van heterokoppels.

Uit de literatuur ter zake of uit rechtstreekse informatie kan men opmaken dat de graad van promiscuïteit in homokringen ettelijke malen groter is dan tussen heteroseksuelen. Dat ligt eigenlijk in de lijn van de verwachting. Er is bij homoseks geen gevaar voor bevruchting en bijgevolg loeren er geen eventuele ouderschapsgevolgen om de hoek, waarbij een stabiele relatie is aangewezen. Er bestaan wel degelijk voorbeelden van stabiele homokoppels, maar het valt niet te ontkennen dat zij eerder de uitzonderingen zijn dan de regel en dat het tussen homo’s meestal gaat om vrijblijvende seks.  Toch bestaat er ook onder hen jaloezie en een grote behoefte aan echte liefde en relationele stabiliteit. Dat is een van de voorname oorzaken van de vele psychologische problemen in die kringen. De normalisatie of gelijkschakeling van homoseksualiteit verandert niets aan die realiteit.

Mannelijke homoseksuele handelingen kunnen daarenboven vanuit medisch en hygiënisch standpunt gevaarlijk zijn, omdat de kans op het oplopen van infecties daarbij redelijk hoog ligt. O.a. de statistieken over de voortwoekerende aidsepidemie werpen een schril licht op deze problematiek, dewelke in de huidige campagnes voor homorechten zoveel mogelijk wordt genegeerd. We mogen ook nooit uit het oog verliezen dat uit de aldus opgelopen Soa’s genetisch vastgelegde afwijkingen kunnen ontstaan en aan toekomstige generaties doorgegeven worden (zoals vermeld in vorig hoofdstuk).

De Katholieke Kerk leert ons dat homoseksuele handelingen niet verenigbaar zijn met de opdracht voor een gezonde voortplanting van het menselijk leven. Bijgevolg heeft ze deze handelingen steeds als zware zonden beschouwt, in tegenspraak met de recente tendensen binnen nogal wat gelovige gemeenschappen tot een grote mate van acceptatie ervan, als zijnde natuurlijk of onvermijdelijk. In de Kerkleer behoren zij tot hetgeen “intrinsiek ongeordend” wordt genoemd, d.w.z. “in tegenspraak met de door God gewilde ordening van de menselijke gedragingen”. Daarbij worden niet de mens zelf of zijn onbewust gegenereerde seksuele neigingen en voorkeuren veroordeeld, maar de relationele handelingen waarmee men ze wil bevredigen. Zij zijn immers in tegenspraak met Gods scheppingsplan (onderwezen in het Oude en Nieuwe Testament) en bezoedelen dus de ziel van degene die ze verricht. Binnen een gezond kerkelijk leven is het daarom een van de taken om mensen met deze neiging respectvol te begeleiden en te steunen met discrete aandacht, hulp en gebed. Dit is trouwens ook zo voor andere groepen in een problematische seksuele situatie (zoals gehandicapten, echtgescheiden mensen, mannen of vrouwen die om medische redenen geen seksuele relaties kunnen hebben, priesters die het lastig hebben met hun celibaatgelofte, …).

Voor een niet-gelovige blijft er dikwijls enkel de zoektocht naar maximaal psychologisch en lichamelijk (o.a. seksueel) genot, om de fundamenteel zinloze realiteit waarin hij meent te leven artificieel zoveel mogelijk zin te geven. Een gelovige daarentegen beseft, of leert te beseffen, dat seksueel genot slechts een eerder klein percentage is van de vele soorten genietingen en geestelijke vreugden die het leven kan bieden. Levensvreugde en genotbeleving zijn voor hem of haar ook in het algemeen geen synoniemen. Dit inzicht, samen met begripvolle aandacht van hun medemensen en goede pastorale begeleiding, kunnen interne wonderen verrichten bij gelovigen met homofiele neigingen.

De kracht en het waarheidsgehalte van de authentieke kerkelijke leer over seksuele moraal schuilt o.a. daarin dat zij een verantwoordelijkheidsleer is, die voortvloeit uit de natuurwetten die het leven in het algemeen en het menselijk leven in het bijzonder beheersen. In de praktijk betekent dit dat de Kerk aan mensen met een homoseksuele gerichtheid vraagt om celibatair te leven en geen aanstootgevend gedrag te vertonen. Om hieraan te voldoen moet de mens in de eerste plaats zichzelf leren beheersen. Veel hiervan vindt men trouwens terug in andere godsdiensten en levensbeschouwingen, bv. in het oorspronkelijke boeddhisme (dat geen godsdienst is maar een leer ter vervolmaking).

  • Andere seksuele afwijkingen of perversies

Naast homofilie, dat in veel landen officieel niet meer als zodanig wordt beschouwd, bestaan er een ganse reeks seksuele driften die men “perversies” noemt (d.w.z. afwijkingen van het normale seksuele gedrag, die niet beantwoorden aan de natuurlijke bedoeling van seksualiteit), zonder dat hiertegen tot nu toe een georkestreerd grootschalig protest is gerezen. Daarover bestaat voldoende literatuur en het is dus niet nodig ze hier allemaal op te sommen. Hiervan was pedofilie in de laatste decennia van vorige eeuw (en zelfs nu nog) eveneens op weg om een zekere status van politieke en maatschappelijke “normaliteit” te bekomen, … tot de misdrijven van Dutroux en zijn kompanen een spontane witte volkswoede ontketenden.

De Kerk verbiedt alle afwijkende gedragingen die in tegenspraak zijn met de zorg voor het leven en een menselijke voortplanting in zo gezond mogelijke omstandigheden, zowel vanuit fysisch als psychisch en educatief oogpunt. Personen met een afwijkende neiging treffen enkel schuld als zij die drift wetens en willens zouden hebben aangekweekt of aangewakkerd, of als zij hem met volledige vrije wil in daden omzetten.  Wie lijdt onder verkeerd gerichte gevoelens moet, eventueel met vallen en opstaan, leren ze zo goed mogelijk te beheersen. In veel gevallen vergt dit een strijd die zeker niet mag onderschat worden en die te vergelijken is met de ontworsteling aan een ernstige verslaving. In de mate men langer wacht om hem aan te gaan, wordt die strijd moeilijker. Gelovige en ook ongelovige ouders of opvoeders, die bij hun kinderen symptomen opmerken van een ontluikende perversie, kunnen dus best niet te lang aarzelen om gespecialiseerde psychologische hulp op te zoeken.

  • Anomalieën met een aangeboren oorzaak

Er zijn bestaan wel degelijk gevallen waarin er zich een of andere vorm van genetisch bepaalde tweeslachtigheid voordoet. Men spreekt dan van interseksuelen. Het gaat naar schatting over percentages variërend van één op duizend, als men ook de lichtere gevallen in rekening brengt, tot één op vijfduizend voor de zwaardere gevallen alleen. Meestal gaan ze gepaard met onvruchtbaarheid. Wanneer ze wel vruchtbaar zijn is dit altijd eenzijdig (men kan niet zowel moeder als vader worden, of zichzelf bevruchten zoals dat in de plantenwereld bestaat). Door aanhangers van gendertheorieën en holebi drukkingsgroepen worden deze anomalieën aangegrepen om de betekenis of het belang van het biologisch bepaald geslacht te ondergraven. Zij vertrekken dus van genetische randgevallen om hun “verlichte” concepten over algemeen aanvaardbare seksuele gedragingen ingang te doen vinden.

Mensen met aangeboren afwijkingen aan hun geslachtsorganen bevinden zich in een uitzonderingssituatie. Als hun afwijking te wijten is aan hormonale stoornissen tijdens de groei in de baarmoeder dan kan zij misschien geheel of gedeeltelijk verholpen worden. Maar is zij het gevolg van abnormale, te veel of te weinig geslachtschromosomen, dan worden zij hierdoor wel degelijk wezenlijk getroffen in hun lichamelijke “aard”. Daarom worden hun ouders dikwijls voor de pijnlijke keuze geplaatst om voor hen een bepaald geslacht te kiezen, een keuze die uiteraard zeer belangrijk is voor het verdere leven en het geluk van hun kinderen.

Als er in deze gevallen geen mogelijkheid bestaat tot verdere voortplanting, is ook de hierbij horende verantwoordelijkheid niet aan de orde. Indien ze wel vruchtbaar zijn, hebben mensen met aangeboren geslachtsafwijkingen natuurlijk dezelfde verplichtingen ten aanzien van het toekomstige leven als degenen met normale geslachtskenmerken. De lezer zal wel beseffen dat het hier een zeer specifieke medische materie betreft. Geval per geval moet men moeilijke beslissingen nemen, in volledig respect voor het nieuwe mensenleven. In de eerste plaats moeten de ouders natuurlijk rekening houden met de raad van onderlegde medici. De rationaliteit van het ARM biedt hier geen oplossingen, maar misbruikt deze problematiek om haar ideeën over genderneutraliteit aan onze maatschappij op te dringen. Gelovige ouders daarentegen moeten vooral durven vertrouwen op God, die ons bij moeilijke of verscheurende keuzes bijstaat. Als zij Hem in gelovig gebed om hulp vragen, zal Hij hen zeker de beste weg wijzen. Het gaat immers over Zijn schepselen, die Hij aan hun goede zorgen heeft toevertrouwd.

In samenhang met onze rechtstreekse verantwoordelijkheid in het kader van de menselijke voortplanting, staat deze die betrekking heeft op de instandhouding van de goede zeden, die de juiste context hiervoor moeten scheppen. Ook mensen die zelf onvruchtbaar zijn mogen door hun gedrag die goede zeden niet verstoren. Interseksuelen ondervinden aan den lijve hoe delicaat en belangrijk het genetisch materiaal is, dat de basiseigenschappen bepaalt waarmee een mens zijn levensfuncties kan uitvoeren.  Meer dan bij anderen nog zou een christelijke opvoeding hen moeten bijbrengen hoe noodzakelijk het is om met seksualiteit op een verantwoorde wijze om te gaan, en om bijgevolg om hun fysieke anomalie niet te misbruiken met aanstootgevende of verkeerde voorbeelden. Zij zou hen moeten aansporen om hun meer fortuinlijke medemensen, die met normale chromosomen zijn geboren, eraan te herinneren dat verantwoord seksueel gedrag een noodzakelijke voorwaarde is voor de instandhouding van gezond en intact erfelijk materiaal in de opeenvolgende generaties van de mensheid.

(°) Een standpunt dat o.i. goed aansluit bij de Bijbelse en Kerkvaderlijke leer, is dat afwijkende seksuele neigingen (evenals zovele andere fysische en psychische anomalieën) het gevolg zijn van wat de “zondeval” wordt genoemd. Binnen het kader van deze artikelenreeks kunnen we hierover niet verder uitweiden, want dan begeven we ons op een complex religieus-antropologisch grensdomein, met nogal wat valkuilen en stof tot discussie. Bij andere gelegenheden of onder andere thema’s, zoals “Geloof en Wetenschap”, zullen we dit zeer belangrijk onderwerp naar best vermogen bespreken.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s