Het maakbare beest

15-04-2012

Het wezenlijk belang van een goede opvoeding

Een hond kan men trainen, zodat hij allerlei kunstjes of opdrachten kan uitvoeren, zoals blindenbegeleiding, het opsporen van drugs of mensen die na een aardbeving bedolven worden onder het puin. Sommigen worden gebruikt als trekdier, andere voor loopkoersen en nog andere voor de jacht, of om kudden bijeen te houden. Om met die training succes te hebben zijn er enkele voorwaarden: men moet er liefst zo jong mogelijk mee beginnen, men moet rekening houden met de specifieke eigenschappen van het dier en men moet weten waar zijn grenzen liggen. Het trainen van honden of andere dieren is een mooi beroep of bezigheid, waaruit we enige lessen kunnen trekken die ook soms op mensen toepasbaar zijn. Bij mensen is het immers zo dat training niet iets secundairs of artificieels is, maar iets wezenlijks voor ons mens-zijn. De voornaamste training is deze van de opvoeding. Ook die begint liefst zo jong mogelijk. De vergelijking met de dressuur van een dier gaat echter slechts gedeeltelijk op. De mens is het levend wezen dat zich het minst heeft “gespecialiseerd”, zowel op lichamelijk vlak als op het vlak van aangeboren gedragingen. Wij hebben bv. geen klauwen of schubben om ons te beschermen tegen agressors of een pels om ons warm te houden. We worden wel geboren met sommige karaktertrekken die we via onze ouders meekregen, maar die kunnen meestal opvoedkundig in goede banen geleid worden.

De doorslaggevende specialisatie van de mens is zijn intelligentie. Alle leven is daarmee begiftigd, zodat we kunnen stellen dat leven “materie is waarin een bepaalde doelgerichte intelligentie tot uiting komt”.  Maar de mens beschikt over een intelligentie die zich bewust wordt van zichzelf, die zich situeert en realiseert in een wereld van abstracte begrippen, waar hij de referentiepunten zoekt en vindt van zijn gedragingen. Het instinctieve is bij de mens gereduceerd tot de basisbehoeften voor de instandhouding van het leven en zelfs die behoeften kan hij tot op zekere hoogte aan banden leggen door zijn wil en door zichzelf te trainen. Samenvattend is de mens, zoals als hij zich op een bepaald ogenblik voordoet, het resultaat van aangeboren gaven, opvoeding, zelftraining en zijn levensopvattingen. Maar dit alles zal nooit zodanig bepalend zijn dat men met zekerheid kan voorspellen welke beslissingen hij of zij zal nemen. Daar voegt zich dan de vrije wil bij, een van de eigenschappen die hem het meest van de andere schepselen onderscheidt. De mens is nooit iets vaststaands, iets dat “af” is. Tot aan zijn laatste ademsnik kan hij veranderen, zelfs als dat minder waarschijnlijk wordt in de loop van de jaren. In religieuze termen spreken we dan van “bekering”, of eventueel van “afvalligheid” of “zonde”.

Het belang van een klare visie op goed en kwaad

De mens is een continu gebeuren, een verhaal dat slechts eindigt bij zijn dood. De rode draad in dat verhaal is de strijd tussen goed en kwaad, die zich afspeelt zowel in zijn binnenste als in zijn omgeving. Hij kan en moet immers gedurig kiezen. Veel van zijn beslissingen situeren zich op het materiële vlak en daarin toont hij zich gemiddeld zeer bedreven, met als gevolg dat de mensheid erin slaagde om een heel deel van de problemen verbonden aan het biologisch bestaan min of meer onder controle te krijgen. Maar de mens wordt daarenboven permanent geconfronteerd met keuzes van geestelijke of morele aard. Hij leeft immers niet alleen, maar maakt deel uit van een menselijke gemeenschap. In de relaties met zijn medemensen kan hij kiezen voor zichzelf of voor het welzijn van anderen. Hij beseft dan dat er zoiets is als zedelijk “goed” en “kwaad” en dat hij met zijn vrije wil (soms zeer pijnlijke) keuzes moet maken.

Een van de keuzes die hij kan maken is het negeren van het verschil zelf tussen “goed” en “kwaad”, of het mentaal omwisselen van die begrippen. Hij kan stellen dat dit geen “wetenschappelijk te bewijzen categorieën” zijn en deze begrippen afhankelijk maken van wat hem het beste lijkt (voor zichzelf) in een bepaalde situatie. Hij kan zelfs zover gaan om van die omwisselbaarheid een afdwingbaar “mensenrecht” te maken, of een privilege dat voor een bepaalde groep mensen is weggelegd: politieke leiders, verstandelijk hoogbegaafden, rijken, zij die behoren tot een bepaald ras, of cultuur of godsdienst… De ganse geschiedenis van de mensheid is getekend door de gevolgen van zulke keuzes, tot op de dag van vandaag. Wie hierover nuchter nadenkt moet tot de conclusie komen dat het gevaar voor verkeerde keuzes nooit zal wijken, zolang er mensen zullen bestaan. Mensen kunnen oplossingen vinden voor alles en nog wat, maar het kwade kan niet vermeden worden. Het kan enkel bestreden worden door er zoveel mogelijk van het goede tegenover te plaatsen. De “maakbare wereld” zal nooit ideaal zijn en evenmin de “maakbare mens” (alle liedjes, schrijfsels of kanselredes hierover ten spijt).

De mens van goede wil of inborst heeft daarom de prioritaire opdracht om zijn capaciteit om goed en kwaad te onderscheiden maximaal te ontwikkelen. De mogelijkheid hiertoe bezitten alle mensen van nature, maar, zoals gezegd, zij moeten allemaal eerst opgevoed worden. In de eerste levensfase duiken ook de eerste problemen op: het opvoedingsproces zelf wordt namelijk in grote mate bepaald door de keuzes die de opvoeders maken. Een dier kan men niet “opvoeden”. Men kan het tot op zekere hoogte enkele elementaire mensachtige handigheden aanleren, maar men kan er geen mens van maken. Het dier op zichzelf kan dat uiteraard niet en vertoont ook geen enkele natuurlijke ambitie in die richting, afgezien van het feit dat bv. apen of papegaaien sommige menselijke gedragingen spontaan nabootsen. Dieren kunnen de grenzen die worden bepaald door hun specialisaties en de beperkte mogelijkheden van hun lichamen en hersens niet overschrijden. Bij de mens ligt dat heel anders: hij kan op heel veel uiteenlopende wijzen gevormd worden of zichzelf gestalte geven. Daardoor kan hij zowel evolueren in de richting van de geestelijke volmaaktheid die we heiligheid noemen, als in de richting van een toenemende verdierlijking. Sommigen bereiken in die laatste richting zelfs een stadium dat gelijkenissen vertoont met dat van een solitair wild roofdier en dan spreken we meestal van een “beest”.

We zouden dus kunnen stellen dat goed is al wat ons naar een grotere heiligheid leidt en kwaad al wat ons dierlijker maakt. Maar dat helpt ons niet veel verder, want de waardeoordelen en begrippen die we hierbij hanteren zijn grotendeels afhankelijk van culturele achtergronden. Bepaalde culturen hebben bvb. het kannibalisme aangenomen als iets “goeds”, de seculiere moderniteit doet hetzelfde met het recht op het doden van ongeborenen (als onderdeel van programma’s ten bate van de “reproductieve gezondheid”!). Sommige ideologieën gingen zo ver om de veredeling van het eigen ras als hoogste ideaal te verkondigen, ten koste van al wie als “inferieur” werd beschouwd. Andere “vooruitstrevende” stromingen verkondigen dat er geen essentiële verschillen zijn tussen mens en dier en de koplopers hiervan beweren zelfs dat de mens een schadelijk dier is dat best opgeruimd zou worden. Het Bijbelse verhaal over de toren van Babel spreekt over een taalverwarring. Maar de ergste verwarring die de huidige mensheid teistert is al lang niet meer taalkundig van aard, maar ideologisch.

De invloed van godsdienst of ideologie

Essentieel in opvoedkundige keuzes is dus de ideologie, waarvan de mensvisie die men aankleeft de kern is. Als de mens beschouwd wordt als een maakbare diersoort dan zal dat zich uiten in de opvoeding, met alle gevolgen van dien. Een godsdienstig gelovige ziet de mens niet als een individu van een willekeurige zijtak op een artificiële stamboom van de levenssoorten, maar als een persoon.  Dat wil zeggen een wezen belast met verantwoordelijkheden ten aanzien van de schepping in het algemeen, evenals van de mensheid waarvan hij/zij deel uitmaakt en bovenal ten aanzien van zijn Schepper, God, Allah, de Grote Manitou, de Oervader of –moeder, of welke naam hij aan het Opperwezen ook wil geven. Hij is het enige wezen dat in staat is zich bewust te worden van het bestaan van God en dat bewustzijn ontpopt zich gaandeweg tot de belangrijkste factor in de beleving van zijn mens zijn.

De mens als relationeel wezen

De mens zonder God daarentegen is eenzaam (eventueel onmerkbaar of zelfs onbewust), zielloos verloren in een zinloos universum, zonder vaststaande referentiepunten om zijn gedrag te bepalen. Hij bevindt zich in geestelijke zin op hetzelfde niveau als een dier, dat zich niet bewust kan worden van het bestaan van een Schepper en dat bijgevolg geen enkele verantwoordelijkheid heeft. Wat goed en kwaad is bepaalt hij zelf, zo nodig door het uitwerken of aanhangen van de ideologie die het best in zijn kraam te pas komt. Hij bevindt zich eigenlijk in de “premenselijke” toestand die in het Bijbelse Genesisverhaal als volgt wordt geïllustreerd. Adam benoemde de dieren, maar vond geen enkel dier dat bij hem paste en voelde zich dus alleen. God zag dat dit niet “goed” was. Hij had de schepping in beweging gebracht en haar “goed” gekeurd: zij evolueerde en draaide zoals Hij het had voorzien. De schepping op zich kon geen kwaad verrichten, tot op het ogenblik dat Hij in die schepping de mens liet ontstaan: een wezen dat in staat was zich bewust te zijn van zichzelf. Maar dat bewustzijn kon zich slechts ontplooien in relatie met andere bewuste wezens en bovenal in de relatie met Degene die de oorsprong is van alle intelligentie en bewustzijn. Voordat deze mogelijkheden zich aanboden had Adam geen klaar levensdoel, geen verantwoordelijkheid en enkel de vaststelling dat hij niet tot de dierenwereld behoorde, alhoewel hij die gaandeweg van namen en classificaties voorzag.

In de beleving van een relatie groeien zowel de kennis van de andere als het inzicht in de eigen identiteit. Die zelfkennis is op zijn beurt van doorslaggevend belang in de verdere ontwikkeling van het samenleven. Ontwakend uit een diepe slaap ontdekte Adam zijn vrouw Eva. Dan pas werd hij zich goed bewust van zichzelf, als man, echtgenoot en toekomstige vader. Bij Eva deed zich eenzelfde proces voor van zelfontdekking als vrouw en potentiële moeder. Zij leerden zichzelf kennen in hun onderlinge relatie, geslachtelijkheid en verschilpunten, met hun specifieke eigenschappen, mogelijkheden, beperktheden en verantwoordelijkheden. Dat zelfbewustzijn bereikte zijn hoogtepunt in de vertrouwelijke band die beiden hadden met hun Schepper, die zich aan hen kenbaar maakte als een Vader die hen bemint en juist daarom eisen stelt. Die liefde vanwege God was het sluitstuk van hun onderlinge verbondenheid en wederzijds respect. Zij waren onze eerste stamouders, het prototype van de ideale mensheid, de eerste “heilige familie”, de grondleggers van het religieus besef dat in de loop der millennia op uiterst wisselvallige wijze werd doorgegeven tot het ook ons bereikte. Maar zij betaalden de prijs voor de uitoefening van hun vrije wil, waarmee zij de relatie met God verstoorden. Zij werden aldus ook de eerste zondaars.

De opmars van Godvijandige krachten

De elementen waarmee hedendaagse opvoeders in onze plaatselijke multiculturele wereld aan de slag gaan, zijn van zeer bedenkelijk allooi. Onze landen aan de Noordzee waren eens een lichtbaken in de menselijke geschiedenis. Zij zonden hun zonen en dochters wereldwijd uit om de mensen op te voeden in de leer van Christus, de nieuwe Adam, door God geschonken aan een verloren gelopen mensheid om haar te tonen hoe zij moest leven en hoe groot zijn liefde was. Pater Damiaan was een van de schitterendste voorbeelden van dat christelijke idealisme. Maar de Kerk die aan de basis lag van dit wereldwijd opvoedkundig gebeuren werd geïnfiltreerd door “vernieuwende” inzichten. Toen werd beweerd dat men zeker “geen zieltjes mocht winnen” stuitte deze bewering op weinig noemenswaardige weerstand. Het was vooral zaak om “open” en “bij de tijd” te zijn. De vrees om als intolerant of achterlijk te worden beschouwd paralyseerde de hele leidinggevende klasse van onze plaatselijke Kerk, die zich overgaf aan een “wollig” taalgebruik waarmee zij alle controverse trachtte te vermijden en waarmee zij hoe langer hoe minder mensen overtuigde. In plaats van godsdienstonderricht te geven werden onze jongeren opgezadeld met “godsdienstvergelijkende” klassen. Zelfs het kruisbeeld werd in een aantal “christelijke” scholen verwijderd om zeker geen “aanstoot” te geven aan andersdenkenden, vergetend dat “aanstoot geven” onlosmakelijk behoort bij het kruis dat Christus voor ons geleden heeft. Een land dat aan de spits stond van de geloofsverkondiging is zodoende op een halve eeuw geïmplodeerd tot ‘s werelds “zwarte gat” op dat gebied.

Intussen bleven de vijanden van het Godsgeloof natuurlijk niet bij de pakken zitten. Zij geloven niet in zieltjes en kunnen die dus ook niet “winnen”. Wat zij wel deden was de ziel van ons volk grondig verprutsen, met de schuldige medewerking of het gebrek aan tegenstand van menig prelaat. De opmars van die Godvijandige krachten gaat onvermoeid verder en wordt continu gevoed door nieuwe creatieve theorieën. Een van de laatste in die rij is de “gendertheorie”, die het bestaan van een vaststaande seksualiteit negeert. Men is geen man of vrouw omdat dit van nature zo is, maar omdat de maatschappij of wij zelf, of eender wie of wat, dat zo gekozen heeft. Deze ideologie, die zich aan ons opvoedkundig systeem tracht op te dringen, legt een tijdbom onder ons maatschappelijk systeem, ons gezinsbeleid en ons identiteitsbesef. Zij ondergraaft de voornaamste bestaansreden van de seksualiteit (een gezonde voortplanting) en de belangrijkste consequentie ervan (onze persoonlijke verantwoordelijkheid op basis van onze seksuele identiteit).

Daarnaast krijgen we in toenemende mate allerlei opvoedkundige “tips” voorgeschoteld en dat niet alleen in tijdschriftjes van tweede of derde categorie. Via onze Vlaamse zenders werden we recent nog uitgebreid geïnformeerd over de activiteiten van de overheidsgesubsidieerde vereniging “Steunpunt Jeugd”. Het gaat blijkbaar over een zustervereniging van “Sensoa”, dat op een of andere wijze een soort alleenrecht heeft verworven over de seksuele voorlichting van de Vlaamse schoolgaande jongeren. Zij stelde een brochure samen om de leiders van jeugdverenigingen de juiste houding aan te leren wanneer zij geconfronteerd worden met seksueel getinte toestanden. Groepsmasturbatie in een tent bv. wordt door die vereniging als “normaal” bestempeld en optreden hiertegen afgeraden. Totnogtoe hebben we nog praktisch geen enkele tegenreactie gehoord of gezien, noch van kerkelijke, noch van seculiere kant. Stuur dus gerust uw kindjes naar de multiculturele ex-christelijke Chiro of de ex-katholieke scouts; ze zijn er in deskundige handen en leren er meer dan u voor mogelijk houdt. Ook over de opvoeding in uw “katholieke” school moet u zich geen zorgen maken. Daar krijgen uw kinderen (via Sensoa) een van overheidswege gegarandeerd didactisch hoogstaande seksuele opvoeding, strikt voorbehouden aan de leerlingen zelf. Zelfs de eigen leraren godsdienst mogen hierbij niet aanwezig zijn …

De gevolgen van een falend godsdienstonderricht

Waar blijft het gezagvolle woord van onze kerkleiders? Is het enkel hun taak om de leegloop van onze kerken zonder al te veel psychologische nevenverschijnselen in goede banen te leiden? Om bekommerde katholieken met zalvende woorden in slaap te sussen? Bevangen door mediavrees? Lijdend aan een struisvogelsyndroom? “Gaat en onderwijst” zei Christus, niet “Kijkt toe en zwijgt”. De aangewezen weg om jonge mensen de juiste morele en godsdienstige inzichten bij te brengen bestaat in de eerste plaats uit het zonder complexen aanleren en voorleven van de authentieke Evangelische boodschap, in al haar rijkdom en consequenties. Nadien kan men hen bevragen over wat zij ervan vinden en wat zij hebben opgestoken. Nu worden zij vooral naar hun mening gevraagd, terwijl hen enkel wat algemeenheden worden bijgebracht. Wat blijft er over van het katholiek godsdienstonderricht, door onze bisschoppen in de praktijk geheel in handen gelegd van leken (gedirigeerd vanuit de ex-katholieke KUL en UCL).? Zelfs jongeren die zich (ook nu nog) op de een of andere miraculeuze wijze tot het katholicisme bekeren, vinden hun gading niet meer in zogenaamde katholieke milieus.

Als wij het onderricht in de christelijke geloofsleer verder teloor laten gaan, dan zijn wij medeverantwoordelijk voor wat anderen van onze nakomelingen gemaakt zullen hebben: vrijdenkers, aanhangers van sekten of niet-christelijke godsdiensten, seksueel verslaafden, … Of misschien gerobotiseerde denkmachines? Of oncontroleerbare beesten?

IVH

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s