HET MALIËNKOLDER VAN DE KATHOLIEKE THEOLOGIE

Bijdrage aan het Liber Amicorum van Pastoor Mennen. Auteur: Pastoor Harm Schilder. 30-08-2019.

Inleiding en vraagstelling

Het menselijk leven kent onvermijdelijk een ontwikkeling. Er zijn telkens nieuwe dingen die we moeten leren. Sommige dingen vergeten we en moeten we opnieuw leren. Plato ging zover door te zeggen dat de ziel bij haar ‘landing’ op aarde het meeste vergeet dat ze ooit heeft geleerd. Kennis opdoen is zo bezien: herinneringen ophalen die verloren zijn gegaan. John Henry Newman, Engels priester en theoloog, werd in zijn tijd (1801-1890) ‘de Plato van Oxford’ genoemd. Toch kan hij net zo goed een ‘Aristoteles’ genoemd worden, gezien zijn systematische ordening van menselijke kennis die wordt opgedaan via zintuigelijke ervaring. Wel is het zo dat Newman vergeten waarheden naar boven heeft gehaald. Bijvoorbeeld over de relatie God-Mens-Kerk. ‘Me and my Creator’ was een geliefde uitdrukking voor Newman, vanuit zijn sterk individuele heilsbesef (‘Ik en mijn Schepper’). Newman was tegelijk een man van de Kerk, waarvan hij had leren houden als van een bewaarster van herinneringen aan God (haar traditie) en een lerares voor de mensheid.

In deze bijdrage wil ik bezien of er iets te leren valt van Newman bij de hedendaagse discussies over de Kerk. De amicus voor wie dit boek geschreven is – Cornelis Mennen – laat zich nogal eens bezorgd en kritisch uit over nieuwe ontwikkelingen in de kerk. Wat zou Newman daarvan denken? Is het niet zo dat ontwikkeling positief is? Zou Mennen niet beter openstaan voor dingen die veranderen? Net zoals paus Franciscus doet, die liever heeft dat de kerk vooruit gaat dan dat zij teruggaat? Avanti!

Het concept van ontwikkeling

Het idee van ontwikkeling was normaal in de tijd van Newman. Had Darwin niet in 1859 zijn Origin of Species geschreven, over de oorsprong en ontwikkeling van de soorten? Op een andere manier was Hegel al met het thema ontwikkeling gekomen in zijn Phänomenologie des Geistes (1807), over de toenemende kennis van de mensheid tot aan het absolute weten toe. En ook na de 19e-eeuwse belangstelling voor het concept ‘ontwikkeling’ bleef het onderwerp terugkomen. Bijvoorbeeld bij Teilhard de Chardin, die wetenschap en theologie wilde verbinden. Hij postuleerde het punt Omega, waar de mens noodzakelijkerwijs geestelijk/lichamelijk naar toe zou groeien (Le phénomène humain, 1955). Kenmerkend voor de denkers over ontwikkeling (‘evolutie’) is dat zij oog hadden voor een dramatisch proces van vallen en opstaan. Maar zij zijn positief gebleven over het resultaat van deze dynamiek. We zouden dit ‘vooruitgangsgeloof’ kunnen noemen, dat zo kenmerkend is geworden voor de 20e eeuw. Waarom de ogen sluiten voor de charme van deze gedachte in onze 21e eeuw? Er is al genoeg negativiteit in de wereld. Iets positiefs kunnen we goed gebruiken!

Het wordt tijd om Newman te citeren. In zijn indrukwekkende Essay on the Development of Christian Doctrine (1888) introduceert hij het begrip ontwikkeling in relatie tot de christelijke dogma’s. Hoe zijn die ontstaan? En kunnen die zich ook niet verder ontwikkelen? Dat is een verrassende vraag. Temeer omdat dogma’s gewoonlijk als iets stars en onveranderlijks worden gezien. Newman: ‘Whatever be the risk of corruption from intercourse with the world around, such a risk must be encountered if a great idea is to be understood, and much more if it is to be fully exhibited. It is elicited and expanded by trial, and battles into perfection and supremacy.’ En verderop: ‘At first no one knows what it is, or what is is worth.’ {…} ‘To live here below to live is to change, and to be perfect is to have changed often.’ (1)

Wordt hiermee een theologisch relativisme bepleit of bedoelt Newman iets anders? Om een voorbeeld te geven van een ontwikkeling in de leer over Christus, schetst Newman uitvoerig hoe het geloof in de goddelijkheid en de menselijkheid van Christus zich heeft ontwikkeld. De Arianen konden deze twee aspecten niet samen denken. Voor hen werd Christus een soort tussenwezen, een verheven engel. Dit werd ontmaskerd als een ketterij, met name door de ijver van St. Athanasius. Ofschoon een groot deel van de bisschoppen op een gegeven moment ariaans dacht, bleef toch het orthodoxe standpunt overeind en werd dat uiteindelijk conciliair geformuleerd in Nicea.

Kleine stapjes

Newman laat met vele citaten zien dat de ontwikkeling van deze leer niet toevallig en schoksgewijs is verlopen, maar met kleine stapjes en onder de leiding van de Allerhoogste. Het leraarschap in de Kerk (Magisterium) is volgens Newman aantoonbaar trouw gebleven aan de inspiratie van de Schrift, het getuigenis van de Apostelen en de apostolische vaders. Heel concreet kan het volgende citaat uit het Nieuwe Testament als voorbeeld gelden: ‘Het bestond vanaf het begin – we hebben het gehoord en met eigen ogen gezien; we hebben het aanschouwd en onze handen hebben het aangeraakt – dáárover spreken wij, over het Woord dat leven is’ (1 Joh. 1). De Zoon van God als Woord/ Logos (tweede Persoon van de H. Drievuldigheid) is niet bedacht door spitsvondige theologen om ‘de man van Nazareth’ op te waarderen, maar is een logische ontvouwing van de woorden en daden van Christus zelf. Bij Newman zou het woord ‘ontvouwing’ geschikt zijn om het begrip ontwikkeling goed te duiden, beter dan het woord ‘vernieuwing’. Net als bij een zaadje dat een boom wordt, zijn de zaden van de Openbaring uitgegroeid tot een universele boom. Een boeiend proces om achteraf te beschouwen, maar uiteindelijk zat heel de ontwikkeling al in het zaadje zelf! Het moest alleen tot ontvouwing komen.

Natuurlijk kan deze visie overkomen als een truïsme: je leest je gelijk in een eerder gemaakte stelling door de erop volgende stelling er dwingend uit te laten volgen terwijl er eigenlijk niets nieuws gezegd wordt. Newman onderkent dit gevaar en stelt maar liefst zeven criteria op om een logische ontwikkeling te onderscheiden van een ‘corrupte’ ontwikkeling. Het zou binnen het bestek van dit artikel te ver voeren om alle criteria te vermelden, maar één criterium mag hier volstaan. En met dat criterium keer ik terug tot mijn oorspronkelijke vraagstelling die ik tenslotte wil beantwoorden.

Assimilatie

Een groot idee of een principe kenmerkt zich volgens Newman doordat het zich kan assimileren met aspecten buiten zichzelf (Essay, V, 3). Het verandert zichzelf niet in het andere, maar neemt het andere op in zichzelf. Net als bij een organisme, dat zich voedt met materiaal uit de buitenwereld maar wel zichzelf blijft. Om te leven is assimilatie nodig. Bij het corpus van de theologie is dat niet anders. Anders wordt zij een verzameling dode wetten, een soort fossiel. Er was bijvoorbeeld in de eerste eeuwen van de Kerk bezwaar bij sektarische groepen christenen dat martelarenverering, het gebruik van wierook of het vereren van afbeeldingen te veel leek op de oude heidense godsdienst. Zij wezen dit alles streng af. De Kerk heeft deze praktijken echter gekerstend, d.w.z. van hun heidense inhoud ontdaan en geënt op Christus en zijn heiligen. Geen goden werden vereerd, want God was één (Vader, Zoon en heilige Geest). De overwinning van hen die Christus tot in de dood waren gevolgd (de martelaren) mócht gevierd worden door de christenen. Niet hun verering was het probleem, maar het geloof in de afgoden. De Kerk bestreed niet alleen het polytheïsme maar ook het strenge joodse monotheïsme, waarin geen plaats was voor de Zoon of voor de heilige Geest (of voor de heiligen). De katholieke volheid, hoewel van tijd tot tijd gezuiverd van overdrijvingen, assimileerde zich telkens weer met de haar omringende wereld en vermeed daardoor theologische stilstand, zoals die zich bij de joden voordeed (tot het rabbinisme zijn intrede deed). Tegelijk hoedde de Kerk zich ervoor één te worden met de wereld, wat de theologie evenzeer tot stilstand zou brengen, omdat God dan samenvalt met de wereld. Dan wordt theologie gereduceerd tot antropologie of kosmologie.

Orthodoxie

Ook het bidden voor overledenen is een voorbeeld van ‘ontvouwing’ van het ene leidende idee van de Menswording van God: op basis van citaten uit het Oude en het Nieuwe Testament, inzichten van kerkvaders en bindende uitspraken van de paus als bisschop van Rome en behoeder van de orthodoxie, kwam de Kerk tot het besef dat de verlossing van Christus verdergaat, in dit leven én in het hiernamaals. Hiervoor werd later het woord ‘Vagevuur’ gekozen, maar het idee was er al. Dit idee is in de Kerk van Oost en West trouw bewaard, anders dan bij de Reformatie (en de Anglicaanse Staatskerk waartoe Newman aanvankelijk behoorde). Bij de Reformatie zien we dat het belang van organische ontwikkeling (lees: levende Traditie) plaats maakt voor nauwe Schriftuitleg en eigen interpretatie. Geen ‘ontwikkeling’ maar eerder een ‘breuk’ met het gezag van de Kerk. Juist omdat de christelijke leer met kleine stapjes ontwikkeld/ontvouwen is, ligt de bewijslast voor het tegendeel volgens Newman bij hen die doen alsof er wel een breuk is geweest. ‘Wijs hem maar aan’, zou Newman zeggen. ‘Ik heb hem niet kunnen vinden’. Daarom kunnen we hem niet simpelweg ‘traditionalist’ noemen. Door intense studie kwam Newman op basis van logica en geloof tot zijn standpunten. Waarom wel Nicea aanvaarden maar niet Ephese of Chalcedon (twee andere belangrijke Concilies)? Het is gewoon niet uit te leggen, tenzij vanuit een diepgevoeld anti-katholicisme. Maar dat is meer sentiment dan logica.

Terug naar onze vraagstelling: Zou pastoor Mennen niet beter kunnen openstaan voor dingen die veranderen in de Kerk? Laten we een willekeurige greep doen uit recente ‘veranderingen’ van de leer:
Hertrouwd gescheiden katholieken mogen eventueel het Lichaam des Heren ontvangen, als ze hierover zinvol gepraat hebben met hun pastor (de bekende voetnoot in Amoris Laetitia);
We kunnen geen objectief oordeel vellen over de (im)moraliteit van homoseksueel gedrag (het wonderlijke ‘Who am I to judge?’ van paus Franciscus); (2)
De erkenning van de aanspraken van de Chinese Staatskerk door het Vaticaan tot verbazing van de ‘ondergrondse’ katholieken die trouw zijn gebleven aan Rome;
De heropening van de discussie over het verplichte celibaat (de Amazonesynode);
De gewildheid van álle religies door God (de Vredesconferentie in Abu Dhabi) (3) of de ophoging van het begrip ‘inculturatie’ door waardering voor animistische godsdienstigheid bij inheemse volken (idem synode).

Zorgen terecht?

Het is bij dit alles niet de Triniteitsleer die onder druk staat, maar de moraal en de discipline van de Kerk. Moeten we ons daarom wel zoveel zorgen maken? Er verandert toch niets wezenlijks? De Kerk is alleen wat soepeler geworden. Juist omdat de katholieke doctrine zoals gezegd ontwikkeld is met vele kleine stapjes, als ware zij een maliënkolder, is het niet mogelijk de moraal los te maken van de christologische dogma’s. En deze zijn niet los te maken van bijvoorbeeld de liturgie, volgens het adagium lex credendi lex orandi (de Kerk gelooft zoals zij bidt en zij bidt zoals zij gelooft).  Wat laat Newman zien? Wie het concept van ‘gebroken ontwikkeling’ hanteert (de Kerk is eíndelijk modern geworden), dreigt vroeg of laat uit te komen bij de oude dwalingen. Die worden in een nieuw jasje gestoken maar bieden geen echte ontwikkeling. Newman pleitte niet voor radicale primitiviteit (terug naar het zuivere begin), ook niet voor naïef vooruitgangsgeloof, maar voor de katholieke volheid (terug naar God, die in de tijd Mens is geworden: Jezus Christus). Daarvoor moeten de leraars in het geloof volgens Newman strijden. Ter illustratie: Een maliënkolder met missende ringetjes, kan een dodelijke pijl of speer doorlaten. Zo kan het geloof doodgaan door miskenning van de katholieke coherentie. Zo bezien is de willekeurige greep uit moderne veranderingen niet helemaal willekeurig. Alles hangt in katholiek perspectief met elkaar samen, tot aan milieu en economie toe.

Slot

Het is opvallend dat een vooruitstrevende paus als Franciscus geen stellige doctrinaire uitspraken heeft gedaan om allerlei veranderingen te verankeren in het katholieke corpus. Er zijn in diens pontificaat geen afwijkende dogma’s tot formulering gekomen. Volgens sommigen wil de H. Vader de boel vooral ‘opschudden’. De tijd zal het leren. Vanuit de theologie van Newman is het begrijpelijk geworden dat de dogma’s vanuit hun logische ontwikkeling niet veranderd kúnnen worden, hoezeer de theologie ook in beweging blijft.

De Kerk in het Westen zoekt een nieuw evenwicht na de woelige jaren zestig. Zij hoeft – in de geest van Johannes Paulus II – niet bang te zijn voor de toekomst. Ook niet – in de geest van Benedictus XVI – voor haar eigen rijke traditie. En hun opvolger Franciscus heeft bij diens verkiezing tot paus een indringend visioen gehad over een grote chaos in de Kerk die gevolgd zou worden door een groot licht. Zoals Newman zei over de H. Maagd Maria, met het oog op de strijd voorafgaand aan het Concilie van Ephese: ‘All heresies of that day, though opposite to each other, tended in a most wonderful way to her exaltation; and the School of Antioch, the fountain of primitive rationalism, led the Church to determine first the conceivable greatness of a creature, and then the incommunicable dignity of the Blessed Virgin.’ (4)

Dank u, pastoor Mennen, dat u ook bezorgd bent bij kleine aanpassingen en strijdbaar aangaande momentane ontwikkelingen in de Kerk. U wilt dat zij haar maliënkolder blijft inspecteren en verzorgen om haar kinderen te beschermen tegen aanvallen van ongeloof en dwaling.
Om met de laatste woorden van kardinaal Newman uit diens Essay, passend bij uw mooie leeftijd, te besluiten: ‘Time is short, eternity is long’.

Ad multos annos!

Harm Schilder, pr.

(1) Vert. v. d. red. ‘Hoe groot ook het risico moge zijn van corruptie door de omgang met de wereld eromheen, een   dergelijk risico moet worden aangegaan, om een geweldig idee begrijpelijk te maken, en nog veel meer als het volledig moet worden toegelicht. Het wordt uitgelokt en ontvouwt zich door onderzoek en confrontatie naar perfectie en suprematie.’

‘In eerste instantie weet niemand wat het is en of het de moeite waard is.’ {…} ‘Hier beneden leven veronderstelt verandering, en volmaakt zijn betekent dat men vaak veranderd is.’

(2) N.v.d.r. Hier moeten we wel het belangrijke onderscheid in rekening brengen tussen het veroordelen van een persoon en het veroordelen van zijn daden. Het eerste is voorbehouden aan God, maar het tweede kan een soms delicate maar noodzakelijke christelijke plicht zijn, die niet mag verward worden met een gebrek aan respect, begrip, liefde of barmhartigheid voor de betrokkene.

(3) N.v.d.r. De Interreligieuze Wereldconferentie over Menselijke Broederschap van 04-02-2019. De term “gewildheid van alle religies door God” moet hier in zijn juiste context geïnterpreteerd worden en betekent zeker niet dat de paus alle godsdiensten zomaar “evenwaardig” vindt. Een juistere interpretatie is o.i. dat er in alle godsdiensten, die naam waardig, waarheden te vinden zijn die naar God leiden of aspecten van God kenbaar maken.

(4) Vert. v. d. red. ‘Alle ketterijen van toen, alhoewel onderling tegengesteld, hielpen op een zeer mooie manier mee tot haar verhoging; en de School van Antiochië, de bron van een primitief rationalisme, leidde in eerste instantie de Kerk ertoe om de vatbare grootheid van een schepsel vast te stellen, en vervolgens de onuitsprekelijke waardigheid van de Heilige Maagd.’

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s