Het modernistisch evangelie volgens Roger Lenaers

31-10-2013

HOOFDSTUK 1

Inleiding

  • Over de auteur

Wie ervan houdt zich te wentelen in tegenstrijdigheden, kan ongetwijfeld aan zijn trekken komen in de werken van Roger Lenaers, waarschijnlijk onze internationaal meest bekende modernist. Een goede synthese van zijn denken vindt men in zijn werkje “Uittocht uit oudchristelijke mythen”, als vervolg op een vorig essay, “De Droom van Nebukadnezar”.

Roger Lenaers wordt ook wel eens “Bultmann-Light” genoemd, omdat hij de grondslag van zijn visies ontleend zou hebben aan de protestantse theoloog Rudolf Karl Bultmann (†1976). Hij is een Vlaamse Jezuïet, geboren in 1925 en naar het schijnt nog altijd pastoor in een bergdorp van Tirol. Het is voor gewone stervelingen onbegrijpelijk dat hij nooit beleefd uit zijn orde is gezet en uit de Katholieke Kerk. In zijn werken breekt hij zowel het katholiek geloof als de Kerk zonder pardon of terughoudendheid tot op hun grondvesten af, om er naar eigen zeggen enkel van over te houden wat nog bruikbaar is voor een moderne “verlichte” geest.

Een eerste voorname tegenstrijdigheid vinden we in de persoon Roger Lenaers zelf. Hij is gevormd als Jezuïet en dus lid van een orde waarvan de stichter verregaande gehoorzaamheid eiste van zijn ordebroeders aan de Heilige Schrift, de geloofswaarheden en de kerkelijke hiërarchie, in het bijzonder de paus. Tegenover deze laatste leggen de Jezuïeten zelfs een aparte gelofte van gehoorzaamheid af. Dat belet pater Lenaers echter niet om te schrijven (pag. 26): “De paus heeft namelijk niet meer leergezag dan de pastoor die hij ooit was” en: “Men noemt hem onnadenkend het hoofd van de Kerk. Dat is hij niet”. Al wat hij schrijft is trouwens in flagrante tegenspraak met haast elke pauselijke uitspraak sinds het ontstaan van het christendom. Zijn boekje kon gemakkelijk geschreven zijn door onze plaatselijke paus van het atheïsme, Prof. Em. Etienne Vermeersch (°), ware het niet dat Lenaers nog altijd beweert te geloven in een “kracht” die hij “God” noemt.

  • Algemene evaluatie van zijn werk

Het axioma van waaruit hij vertrekt is de ”theonomie”, een begrip waaraan hij een definitie toekent die haaks staat op de verwachte betekenis ervan. Theonomie komt van het Oudgrieks Theos (God) en Nomos (recht, voorschrift) en slaat dus normalerwijze op een werkelijkheid die aan  God onderworpen is. Maar bij deze tegendraadse theoloog, gespecialiseerd in oude talen, gaat het over een werkelijkheid die van God wel wetmatigheden heeft meegekregen, maar voor het overige volledig autonoom evolueert. Daarin is God enkel nog aanwezig als een soort mysterieuze “drijf- en/of aantrekkingskracht”, maar Hij is geenszins bij machte nog in te grijpen. Hoe deze passieve energie erin geslaagd is om aan de werkelijkheid haar complexe mathematische wetmatigheden mee te geven behoort gemakshalve bij het mysterie ervan. Daartoe zou normaal gesproken een scheppingsdaad nodig zijn, maar dat is een mirakel, in zijn “theonomisch” gedachtegoed een onbruikbaar fenomeen, afkomstig uit een religieuze visie op de werkelijkheid die voorgoed gedoemd is om te verdwijnen.

 Zijn hele theorie heeft meer weg van een kramakkelige litteraire wijsbegeerte dan van een theologie. Het feit dat hij ook filosofie heeft gestudeerd zit daar misschien voor iets tussen. Zijn concepten vertonen verwantschap met die van Hegel, de filosoof waarvan wordt aangenomen dat hij een hele reeks atheïsten geïnspireerd heeft, waaronder Marx en Nietzsche. In tegenstelling tot deze laatste zegt Lenaers niet dat “God dood is”, maar “levend”. Alhoewel in de praktijk, van het “levend zijn” van deze “Onbewogen Beweger” die hij God noemt niet veel te bespeuren valt… Raak er maar wijs uit als gewone gelovige, die uit zijn boekjes iets waardevols voor zijn/haar leven hoopt te distilleren.

In zijn theonomie zou God dus iets als een “liefdesenergie” zijn die zich zorgvuldig schuilhoudt tussen de atomen van het universum, waarvan de evolutie door Lenaers als de “zelfuitdrukking” van die liefdevolle krachtbron wordt voorgesteld. Haar rol bestaat erin passief erover te waken dat de gevestigde natuurwetten strikt worden nageleefd met het oog op een uiteindelijke volledige vereenzelviging van het universum met de diep hierin verscholen liefdesgod. Dit staat natuurlijk niet letterlijk op die manier in deze introductie tot het modernisme, maar het is er wel rechtstreeks uit af te leiden. We moeten de lezers voor alle duidelijkheid waarschuwen dat wij  in de hierna volgende paragrafen soms de redeneerwijze zullen hanteren van het consequent wetenschappelijk modernisme à la Lenaers en niet die van ons, als katholieke gelovigen. Onze bedoeling hiermee is de tegenstrijdige absurditeit ervan goed aan het licht te brengen.

Roger Lenaers kan goed schrijven. Hoofdstuk per hoofdstuk maakt hij vlotjes komaf met de hele traditionele geloofsleer. Maar in feite kon hij zich al die moeite besparen. Vanaf het ogenblik dat iemand het “moderne” grondaxioma aanvaardt van het monopolie van één enkele materiële werkelijkheid waarvan God noodzakelijkerwijze zelf deel uitmaakt, met uitsluiting van elke andere geestelijke werkelijkheid, kan hij/zij zonder veel moeite tot dezelfde conclusies komen en daarmee zo ongeveer de gehele katholieke geloofsleer naar de afvalberg verwijzen. Toch slaagt Lenaers erin om op een haast geniale wijze uit heel dat godsdienstig afbraakwerk elementen te recycleren om die -alhoewel zij daar volledig mee in strijd zijn- ten dienste te stellen van zijn theonomie. Daarmee kan hij de lezers die hij op sleeptouw neemt van algehele troosteloosheid vrijwaren en hen ondanks alles wat “hoop” of “geloof” meegeven. Deze belezen Jezuïet heeft zich consequent overgegeven aan de “god van de rede”, afkomstig van de “Verlichting”, maar wil zijn lezers of volgelingen niettemin een  “God van de Liefde” aanbieden. We kunnen hem dus niet zomaar beschuldigen van goddeloosheid en ook niet van kwade bedoelingen, maar wel van inconsequent consequent te willen zijn.

Voor de “gelovige van de moderniteit” is er volgens deze modernistische voorganger slechts één enkele “binnenwereldse” werkelijkheid, in tegenstelling tot de “heteronome” religieuze visies uit minder “verlichte” periodes, die ervan uitgingen dat er naast een geschapen materiële werkelijkheid ook een geestelijke bestaat. Hij verkondigt een materialisme waarin, ter wille van een aangevoelde of aangeboren noodzaak tot zingeving, een godheid werd ingelast. Maar, om het een beetje oneerbiedig te zeggen, die zit daar helemaal niet op haar plaats. Niet alleen voor het concreet ontstaansproces van die werkelijkheid ontbreekt bij Lenaers een aannemelijke uitleg, ook over de uiteindelijke afloop van heel de evolutie waaraan zij onderworpen is laat hij zijn lezers in het ongewisse.

Als alles slechts de regels van een autonome evolutie volgt, beheerst door de onveranderlijke wetenschappelijk achterhaalbare natuurwetten, dan blijven er niet zoveel mogelijkheden over: ofwel verdwijnt het geheel definitief in een onvoorstelbaar “zwart gat”, ofwel blijft de materie voor eeuwig verder uitdeinen, ofwel krijgt men een nooit ophoudende cyclus van implosies gevolgd door “big bangs”. Er blijft natuurlijk ook nog de mogelijkheid van een fatale zelfdestructie van de mensheid, bv. door een atoomoorlog. Daarmee zou voor onze ondermaanse mensensoort alvast een voortijdig einde komen aan een in wezen zinloze “zelfuitdrukking van een Mysterie dat liefde is” (sic, pag.132) en de massa miserie die hierbij gepaard ging. Die “theonomische” toekomstperspectieven zijn dus niet bepaald geschikt om veel enthousiasme op te wekken of bevorderend voor de inzet voor een betere wereld, hetgeen nochtans de bedoeling is van de auteur, volgens zijn uitleg.

Het resultaat van al dat liefdesenergieverbruik in een autonoom verder evoluerend heelal is niet echt hartverblijdend.  Miljarden jaren zonder enig spoor van bewuste materie en met vele catastrofale gebeurtenissen op aarde en in de weidse kosmos leidden tenslotte tot levensvormen waarvan de meesten intussen al lang hun einde hebben gevonden in massale extincties. Zeer recent op de geologische tijdschaal leverde die evolutie een diersoort op die zichzelf “mens” noemt en waarvan een deel zich sindsdien onledig hield en houdt met het verscheuren en vernietigen van hun soortgenoten, nogal eens letterlijk in naam van God. Dat is echter, volgens de hier besproken theonomie, niet zo erg als het lijkt: dat is geen “kwaad” of “zonde”, want zoiets bestaat niet. Het is enkel tegenstand tegen de groei van de liefde (sic, pag. 130). Het is zelfs misschien gewoon evolutief onvermogen, onvoltooidheid, onrijpheid (sic, pag. 131). De uiteindelijke bedoeling van het geëvoceerd gigantisch “liefdesproces” is dat al de ontstane individuen tenslotte opnieuw in de kosmologische liefdesgod zouden opgaan, zoals regendruppels opnieuw worden opgenomen in  de oceaan van waaruit zij zijn verdampt (pag. 131). Deze beeldspraak is hier echter niet goed op zijn plaats, want eenmaal dood blijft er al spoedig van het menselijk wezen, dat volgens Lenaers geen ziel heeft, gewoon niets meer over, ook niet iets dat met een “druppel” te vergelijken valt. De resterende knoken van de “theonome mens” zijn onherroepelijk gedoemd om te verdwijnen in de natuur of te fossiliseren in een of ander gesteente.

Het is zeer twijfelachtig dat de kennismaking met dit “eu aggelion” (goede boodschap) van Roger Lenaers veel harten van liefde, vreugde en hoop zal doen popelen. De gelovige van de theonomie moet het stellen met de modernistische verzekering dat het uiteindelijk allemaal opperbest afloopt. Het graag en vrijwillig zichzelf verliezen in de onafwendbare hierboven geschetste “liefdevolle slokop” is in dit perspectief de hoogste uiting van menselijke liefde. De berustende aanvaarding van deze niet zo aantrekkelijke maar wel zeer eervolle eindbestemming voor ieder mens, wordt aan het eind van hoofdstuk 8 voorgesteld als “grof maar voedzaam brood”. Ieder zijn smaak natuurlijk, maar het is zeker niet verwonderlijk dat in een cultuur waarin zulke fatalistische toekomstverwachtingen worden gekoesterd, zelfmoord en euthanasie hand over hand toenemen.

  • Zijn veronderstelde onmogelijkheid om nog heteronoom te denken

De voornaamste uitgangspunten waarvan Roger Lenaers zich bediend voor zijn filosofisch/theologisch knutselwerk zijn: De onmogelijkheid voor de moderne mens,  sinds de “Verlichting” en Darwin, om nog heteronoom te denken; het hoofdzakelijk mythologisch karakter van de Bijbel, het Evangelie incluis; de vergissingen van de Kerk bij het opstellen van allerlei dogma’s die niet op de H. Schrift zouden steunen en die ook niet door de H. Geest zouden geïnspireerd zijn, maar vooral door profane overwegingen. Wat dit laatste betreft kunnen we alvast opmerken dat de H. Geest geen onderkomen vindt in de theonomie (de Drievuldigheid is er immers afgeschaft) en dat we er dus heel zeker van kunnen zijn dat Hij de bedenkers ervan niet heeft bijgestaan. In dit eerste gedeelte van onze bespreking zullen we nu even het eerste uitgangspunt onder de loep nemen.

Lenaers spreekt zijn overtuiging uit dat een heterogeen wereldbeeld, waarin er ook plaats is voor een geestelijke wereld, niet meer aanvaardbaar is en dus stelselmatig zal verdwijnen. De geloofsafval in ons landje, dat de toevallige eer heeft om het thuisland te zijn van deze bekende “theonomist”, schijnt zijn stelling te bevestigen. Maar als men zich de moeite getroost om wat verder te kijken, dan moet men toegeven dat de toestand van de heteronomie wereldwijd nog zo slecht niet is. De overgrote meerderheid van hen die zich godsdienstig noemen, neemt het bestaan aan van een transcendente God, die ons geschapen heeft, die met ons daadwerkelijk begaan is en waaraan wij gehoorzaamheid verschuldigd zijn. Alhoewel dat dus allemaal hedendaagse mensen zijn, waaronder uiteraard ook veel intellectuelen, worden die door de hoogbejaarde Lenaers tussen de achterhaalde achterlijken geklasseerd, die te dom zijn om, zoals hij, op tijd op de kar van het modernisme te springen en die dus binnen afzienbare tijd tot een uitstervende minderheid zullen behoren. Hij heeft het recht die verwachting te koesteren, maar statistisch gesproken zal Lenaers in ieder geval al lang voor ze werkelijkheid zou worden, opgelost zijn in de liefdesoceaan waarvan hij droomde, want het percentage van “achterhaalde heteronome gelovigen” gaat, voor zover geweten, op wereldschaal niet in dalende richting.

Voor wat onze regio betreft mag men verwachten dat binnen enkele jaren het dieptepunt zal zijn bereikt, waarin het onderscheid irrelevant zal geworden zijn tussen de visies van modernistische gelovigen in de theonomie en atheïstische gelovigen in de autonomie van het universum. Van dan af komt er hopelijk terug duidelijkheid en kan de nieuwe verkondiging van het authentiek geloof in een actief scheppende en werkzame Goddelijke Vader efficiënt opnieuw op gang komen. Dan zal het gedaan zijn met de naamvervalsing van mensen die zich voor “katholiek” uitgeven, maar een leer verkondigen die zelfs niet als “algemeen christelijk” kan bestempeld worden. Hoe kunnen zij zich volgelingen van Christus noemen en Hem tegelijkertijd bestempelen als een gewone sterveling, wiens leer volledig achterhaald is, omdat die gestoeld is op de relatie tussen beperkte schepselen in een materiële leefwereld en een Almachtige God die hen de weg toont naar zijn geestelijke heerlijkheid? Enkel halve genieën als Roger Lenaers zijn in staat om zulke fundamentele tegenstrijdigheid te verkopen als een coherent geheel –althans voor een tijdje.

Voor wat het Darwinisme en de Verlichting betreft: ook daarin begint stilaan de mot te zitten. Zoals geweten zou moeten zijn heeft Darwin nooit “natuurwetten” geformuleerd, maar een hypothetische statistische wetmatigheid die hij als de oorsprong van de soorten beschouwde. Die wetmatigheid (gebaseerd op de “survival of the fittest”) wordt nog altijd door veel biologen aangenomen, maar is na meer dan anderhalve eeuw nog niet bewezen. Zij begint aan geloofwaardigheid te verliezen, o.a. op basis van de nieuwe bio moleculaire wetenschappen.  Voor wat de Verlichting betreft kunnen we kort zijn. De echt verlichte geesten hebben al lang begrepen dat “de wetenschap”, waarvan het domein per definitie beperkt is tot het materieel vaststelbare, ons niets kan vertellen over het al of niet bestaan van een geestelijke wereld.

(°) Overleden te Gent op 18-01-2019. Over deze filosoof, zijn invloed en zijn materialistische levensbeschouwingen hebben we het in andere artikels.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s