Het modernistisch evangelie volgens Roger Lenaers

HOOFDSTUK 2

Lenaers’ ontspoorde visie op mythes en mirakels

  • Het modernisme als geloofskanker

Roger Lenaers is een van onze meest toonaangevende goeroes van het modernisme. Dit laatste is geen vast omschreven leer met een officiële inhoud en eigen structuren, maar iets dat men best kan omschrijven als een “geloofskanker”. Een kanker is een ziekte waarbij lichaamscellen zich autonoom beginnen te ontwikkelen zonder rekening te houden met hun specifieke opdracht binnen het levend wezen waarvan zij deel uitmaken. Daarenboven dragen zij deze neiging tot onafhankelijke ontwikkeling over op andere cellen, hetgeen we “uitzaaien” noemen. Op een gelijkaardige wijze werkt het modernisme. Het ontstaat in de hoofden en harten van gelovigen die deel uitmaken van het Lichaam van Christus dat zijn Kerk is. Daar ontwikkelt zich een autonome gedachtegang die weinig of niets meer gemeen heeft met de geloofsleer die de gemeenschappelijke band is tussen de katholieke gelovigen, gesymboliseerd in het teken van het Kruis, in de naam van de Vader, de Zoon en de H. Geest.

De geloofskanker die onze Kerk teistert is vooral in het Westen en in het bijzonder in ons land al ver uitgezaaid en de symptomen ervan zijn merkbaar in alle geledingen van onze plaatselijke Kerk, in onze voorheen degelijke christelijke verenigingen en in het katholiek onderwijs. Misschien is hij al zover gevorderd, dat we voor een ongeneeslijk lichaamsdeel staan, dat definitief dreigt af te sterven. Dan blijft ons als trouwe gelovigen niets anders over dan te bidden voor een mirakel, of te wachten op de volledige teloorgang van het katholicisme in onze streken en op een tweede kerstening die een nieuwe katholieke geloofsgemeenschap doet opleven. Maar ondanks de zware aantasting zijn er gelukkig nog veel gezonde geloofscellen te vinden in onze Belgische kerkprovincie. In eerste instantie moeten dus de gebruikelijke kankertherapieën worden aangewend. Een voor de hand liggende adequate ingreep is het uitsnijden en verwijderen van de kankerplekken, maar dit is voorbehouden aan onze kerkelijke autoriteiten en die lijken momenteel grotendeels geparalyseerd. Een andere mogelijkheid is de toediening van middelen die de modernistische kankercellen doen afsterven. De inhoudelijke bestrijding ervan berooft hen van hun voedingsbodem en het is deze efficiënte geneeswijze die we hier willen toepassen.

  • Het zogenaamd mythologisch hoofdkarakter van de Bijbel

In het eerste deel van onze bespreking haalden we drie uitgangspunten aan van waaruit Roger Lenaers zijn geloofsvisie ontwikkelt. Het eerste was de onmogelijkheid voor de moderne mens, sinds de “Verlichting” en Darwin, om nog heteronoom te denken. Dit hebben we bondig weerlegd. We onderzoeken nu het tweede: het hoofdzakelijk mythologisch karakter van de Bijbel, het Evangelie incluis.

Om te beginnen geeft de auteur aan het woord “mythe” een bijzonder eenzijdige betekenis, namelijk die van een stichtend fabeltje, zonder meer. In de meeste mythes bevindt zich echter een historische component, die niet precies af te bakenen valt. In de Bijbel, in het bijzonder het Oude Testament, zijn er nogal wat passages met een overwegend mythologisch karakter, maar het is zeker niet onwetenschappelijk als men aanneemt dat zij opgebouwd werden rond concrete gebeurtenissen uit de voorgeschiedenis van het Joodse volk. Het modernistisch denken is gedeeltelijk een reactie tegen al te letterlijke interpretaties van Bijbelfragmenten, die haar doel ver voorbijschiet. Al wat ook maar enigszins naar mythevorming zou kunnen ruiken, wordt hautain weggehoond, in plaats van kritisch en evenwichtig op zoek te gaan naar de geschiedkundige kern van het verhaal. Voor wat het Nieuwe testament betreft moet men des te voorzichtiger zijn, want dit werd geschreven in een grotendeels realistische stijl en in een periode waarin de Grieks-Romeinse geschiedschrijving al een grote verwantschap vertoont met de moderne verslaggeving. Als het hier overwegend ging om mythologie en stichtende verhalen, zoals de modernistische exegese beweert, zouden er in ieder geval niet veel martelaren gevallen zijn onder de eerste christenen en later uiteraard nog minder.

  • Zijn theonomische kijk op mirakels

Zonder enig spoor van een voorzichtige benadering veegt Roger Lenaers alles van tafel wat zijn “theonomie” kan tegenspreken. Mirakels bv. passen uiteraard niet in zijn kraam en die worden bijgevolg met alle mogelijke argumenten van hun bijzonder karakter ontdaan. Op pag. 139 verklaart hij over miraculeuze genezingen dat de moderne wetenschap daar “psychosomatische” verklaringen voor heeft. Dat klinkt zeer wetenschappelijk, maar heel dikwijls gebruikt men die uitleg gemakshalve voor een categorie feiten waarvoor geen waarneembare oorzaak te vinden is. Die fictieve wetenschappelijkheid tracht Lenaers te versterken door beroep te doen op de “stofgeestelijke” eenheid van de mens. Dit is een “theonomisch” geloofsconcept waarmee men het fysisch onmogelijke kan verklaren zonder het te verklaren. Kortom, een typisch staaltje van pseudowetenschappelijke kringredeneringen in het luchtledige, waarin men de ene (psychosomatische) verklaring staaft met een (stofgeestelijke) andere, die op haar beurt weer door de eerste wordt bevestigd. Het enige eerlijke wetenschappelijke antwoord ten aanzien van duidelijk vastgestelde mirakels is gewoon: “We weten niets over de oorzaak”, punt uit.

Op de volgende bladzijde stelt Lenaers een vraag die op het eerste zicht heel pertinent lijkt: “Waarom treedt die verandering (het mirakel) zo zelden op dat het lijkt alsof ze het werk is van het toeval en dus helemaal geen ‘verhoring’, geen vrucht van het bidden?” Volgens hem doet de achterhaalde gelovige christen beroep op een ondoorgrondelijke wijze beslissing van God, om te verklaren dat juist deze persoon werd genezen en geen ander. Dit zou een “typisch heteronome extrapolatie” zijn naar God van de willekeur van ondemocratische machthebbers. Het woord “ondemocratisch” is al een eerste foutje: ook democratische machthebbers kunnen hun willekeur op minderheden loslaten (zie bv. wat democratisch gekozen Islambroeders zoal uithalen). Maar zijn voornaamste denkfout is dat hij geen rekening houdt met de juiste christelijke opvatting over mirakels. Dit zijn geen goddelijke beslissingen om iemand te bevoorrechten. Heel wat mensen die een “bijna-dood ervaring” hebben meegemaakt, zeggen dat zij eigenlijk liever niet waren teruggekeerd tot het leven, dat immers gepaard gaat met lasten en lijden. Echte mirakels zijn “TEKENEN”, waarmee God zich tot de mensen wendt om hen iets duidelijk te maken. Hij doet dit niet zo expliciet dat het de menselijke vrije wil zou aantasten en zijn bewuste schepselen haast zou verplichten in Hem te geloven en bijgevolg zijn geboden te gehoorzamen. Wil men die tekenen niet als dusdanig aanvaarden en proberen te begrijpen, zoals Roger Lenaers, dan blijft men daarin vrij. In de parabel van de arme Lazarus legt Jezus de volgende woorden in de mond van Abraham: “Als ze niet naar Mozes en de profeten luisteren, zullen ze zich ook niet laten overtuigen als er iemand uit de dood opstaat”. (Lucas 16:31). Zelfs de meest overtuigende mirakelen kunnen een verstokt hart niet bekeren. Zij zijn bedoeld voor hen die nederig hun gelovig vertrouwen stellen in Gods actieve almacht en missen hun effect bij hen die Hem negeren of Hem op “non actief” hebben gesteld.

  • Het verrijzenisverhaal wordt een “projectie”

Sint Paulus drukte zijn bekeerlingen op het hart: “Zo Christus niet is verrezen dan is uw geloof zonder nut en zijt ge nog in uw zonden, dan zijn ook zij verloren die in Christus ontsliepen. Zo wij alleen voor dit leven onze hoop stellen op Christus, dan zijn wij de meest beklagenswaardige van alle mensen” (Corinthiërs 15:17-19). Het sterke en overduidelijke getuigenis in de oudste bekende christelijke geschriften, de brieven van deze grote apostel, vloekt helemaal met de denkschema’s die Lenaers propageert in zijn boekjes. Hij ziet zich bijgevolg verplicht om aan de woorden van Paulus een “theonomische duiding” te geven. Ettelijke pagina’s besteedt hij om zijn lezers het verrijzenisgeloof uit het hoofd te praten. Als volleerde profeet van het modernisme gebruikt hij de beproefde methodologie van deze stroming: al wat niet past in haar visie wordt in een mythologisch, symbolisch of psychologisch kleedje gestoken. Wat daar niet direct voor geschikt is wordt bij de “later toegevoegde” fabels geklasseerd.

Paulus (Corinthiërs 15) haalt, na zijn opsomming van de verschijningen van Christus volgend op diens opstanding, ook zijn verschijning aan hemzelf aan, onder de vorm van een licht en het horen van een stem. Dat is voor Lenaers een bruikbaar aanknopingspunt voor zijn bewering dat alle verschijningsverhalen gebaseerd zijn op “projecties” (°). Dit zijn fenomenen waarbij men iets ziet dat er in werkelijkheid niet is, als gevolg van een intense innerlijke belevenis. Iets dergelijks zou volgens onze aartsmodernist bij de apostelen gebeurd zijn tijdens de verschijningen, zoals ook later bij de ons bekende zieners en zieneressen. Hier loopt zijn redenering ernstig mank, want Paulus was toen hij zijn verschijning kreeg een jood die de christenen vervolgde en dus helemaal niet intern snakkend naar een ontmoeting met Christus. Ook het feit dat Jezus meestal aan meerdere personen verscheen (Volgens Paulus zelfs aan een groep van meer dan vijfhonderd broeders) is niet te rijmen met een psychologische uitleg over “visioenen”. Het zou immers een meer dan miraculeus toeval zijn dat zij allen in gedachten juist hetzelfde hebben gezien op hetzelfde ogenblik.

Een ander veel gebruikt argument om de historiciteit van de verrijzenisverhalen (en andere evangelische gebeurtenissen) te ontkrachten is het aanhalen van de tegenstellingen in de evangelies. Zoals het een strenge leraar betaamt verklaart Lenaers: “Maar historiciteit duldt geen tegenspraken” (Pag. 104). Dit is wel een zeer boude uitspraak, want zelfs voor erkende historische werken over eenzelfde redelijk recente gebeurtenis, is het hoegenaamd niet uitzonderlijk dat zij elkaar tegenspreken in detailkwesties. Hoe zou dan een levensgeschiedenis, die gedurende een aantal jaren enkel mondeling werd overgeleverd, in verschillende geschriften geen secundaire contradicties mogen vertonen? Integendeel, moesten al de details tot in de puntjes kloppen, dan mochten wij heel zeker zijn dat het gewoon over kopieerwerk ging van het relaas van één enkele getuige, hetgeen de geloofwaardigheid sterk zou verminderen. Hier zien we echter de neerslag in de onderscheiden geheugens van overwegend eenvoudige lieden met verschillende achtergrond, van hun belevenissen met de Heer. De detailverschillen zijn dus niet te wijten aan het feit dat het over uitgevonden mythes of fantasievolle verhalen zou gaan, want dan zouden ofwel de verschillen veel groter zijn (uit verschillende bronnen), ofwel veel kleiner of onbestaande (uit één enkele bron).

  • Theonomische speculaties als modernistisch Credo

Mirakelen zijn in de werkelijkheidsvisie van Lenaers en zijn geloofsbroeders en –zusters orde verstorende elementen, die indruisen tegen de onschendbare natuurwetten van God. Het zijn wensdromen die kaderen in een heteronoom gedachtegoed, dat we best definitief achter ons laten. Ook alle mirakels uit de evangeliën worden door deze geloofsrevolutionairen geklasseerd tussen de vrome verhaaltjes en de mythologische verzinsels. Toch lezen wij in de evangelies dat Christus hen die niet in zijn woorden konden geloven aanmaande dit toch te doen omwille van de tekenen die Hij verrichte. Hij verzekerde ons ook: “Bidt en u zal gegeven worden; zoekt en gij zult vinden; klopt en u zal opengedaan worden” (Mt 7:7). De modernist negeert volkomen deze woorden en de tekenen en reduceert de Blijde Boodschap aldus tot een serie verhaaltjes over een timmerman die het tot profeet had geschopt en in wiens leven de goddelijke liefde gestalte kreeg door zijn grote goedhartigheid.

“Het Woord is vlees geworden” is dan alleen maar een mooie literaire allegorie van de schrijver van het Johannes evangelie en niet de opperste uitdrukking van het diep geloof der eerste christenen. Het vraaggebed is tijdverlies en wordt best gewoon afgeschaft. Het Woord van God moet definitief plaats ruimen voor het verlichte modernistisch denken. De kruisdood van Christus was in die optiek een spijtig “fait divers”. Het is zelfs niet zeker of Christus wel echt gestorven is. Volgens een der grondleggers van het modernisme, een zekere Reimarus (1694-1768), zou het zelfs kunnen dat hij gewoon terug tot leven is gekomen ten gevolge van de kilte van de grafsteen …  Met een klein beetje modernistische fantasie kunnen we zijn kruisdood misschien toeschrijven aan de overdreven ijver van Judas, die het valse gerucht zou verspreid hebben dat Jezus zich uitgaf voor Gods Zoon, enz… De “theonomische hertaling” van het evangelie geeft vrij spel aan de verbeelding, iets waarvan al menig godsdienstleraar en kanselredenaar handig heeft gebruik gemaakt.

  • Het vraaggebed belachelijk en verdacht gemaakt

We kunnen hier nog lang uitweiden over de interpretaties die Lenaers in zijn boekje toekent aan alle katholieke geloofspunten. Maar vermoedelijk hebben onze gelovige lezers in deze tweede aflevering al meer dan voldoende modernistische beweringen te verwerken gekregen. Tot slot enkel nog even het volgende, over het vraaggebed. Lenaers omschrijft dit als “de onkritische extrapolatie van iets wat we uit het dagelijks leven maar al te goed kennen” (pag.133). Hij bedoelt hiermee het vragen van een kind aan zijn ouders, of van iemand die in de puree zit aan een goede relatie die hij probeert voor zijn noodsituatie te interesseren. Hij vraagt zich ook af: “Als God ons echt liefheeft en beter weet dan wij wat we echt nodig hebben, waarom zouden wij dan erom bidden?… Weten we soms beter dan God zelf wat we echt nodig hebben?” (pag. 134). Hier toont Lenaers ten gronde aan dat het modernisme in feite niets begrepen heeft van de bedoeling van de H. Schrift. Het gaat hierin over onze relatie met een God die we Vader mogen noemen en dus is het volkomen normaal dat we hem toespreken als vragende en zoekende kinderen. Daarenboven is deze God ons welgevallig, want Hij is liefde, maar geen blinde liefde. Hij wil dat zijn kinderen er zich bewust van worden dat zij door Hem zijn geschapen en dat zij naar Hem moeten toegroeien. Daarom eist Hij terecht dat zij Hem zouden erkennen en dat zij hun vragen tot Hem zouden richten, al of niet met de voorspraak van een heilige, in gelovig vertrouwen. Dan “zal hun geloof hen hebben gered” en zal Hij hun gebeden verhoren op de wijze die Hij het best acht voor hun verdere groei.

Het modernisme ontkent het fundamenteel hoofdgebod van de gehoorzame Liefde tot God, die we naar het voorbeeld van Christus erkennen en aanspreken als Onze Almachtige Vader “wiens wil geschiede op aarde als in de hemel”. Het is aldus verwant aan de oerzonde. Modernisten weten ongeveer even goed als een machteloos toeziende God, en in ieder geval beter dan zijn miskende Zoon of zijn afgedankte H. Geest, wat het beste is voor ons. Die zonde van hoogmoed schuift Lenaers in de schoenen van de biddende mens. Hij negeert volkomen dat bidden niet betekent “eisen” of “janken” of “beter weten”, maar enkel nederig vragen, zoals Jezus in de Hof van Olijven. Waarschijnlijk meent Lenaers dat hij heel wetenschappelijk te werk gaat, maar hij vergeet dat echte wetenschappelijkheid gevoed wordt door zelfkritiek, openstaan voor het onbekende en een gezonde portie nederigheid.

(°) Deze op los exegetisch zand gebouwde projectietheorie werd o.a. gepropageerd door Prof. Edward Schillebeeckx, dominicaan en vooraanstaand Nederlands theoloog († 2009). De geloofsvisie van een aanzienlijk deel van onze westerse clerus werd aldus geïnfecteerd.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s