Het modernistisch evangelie volgens Roger Lenaers

HOOFDSTUK 3

De ondergraving van het leergezag van de Kerk

  • Antikerkelijk betoog

De schrijver van het hier beoordeeld essay zal het ongetwijfeld waarderen dat we hem hier aanhalen als Lenaers, of gewoon als Roger, en dat we geen antimodernistische aanspreektitels gebruiken als bv. “Eerwaarde Pater”. Hij geeft immers zelf aan dat de kerkelijke structuur beter opgedoekt wordt en wat is er meer verbonden met een structuur dan titels? De Kerk als instituut doet volgens hem “veelal meer kwaad dan goed” (pag.8). Een groot gedeelte van zijn teksten wordt besteed aan het belachelijk maken van de Kerk, haar dogma’s en uitspraken, en aan het ontkennen van haar autoriteit. Haar boodschap heeft volgens hem als vervaldatum 1789, het jaar van de Franse Revolutie (pag. 9). Van dan af, dixit Lenaers, heeft de middeleeuwse verpakking van de heilsboodschap afgedaan en is het dringend geboden dat erfgoed zo te “vertalen” dat de moderne mens zichzelf erin kan herkennen.

Zijn antikerkelijk betoog is doorspekt met dooddoeners, die passen in een atheïstisch discours, maar niet bepaald bij de pennenvruchten van iemand met een Jezuïetenopleiding. Vermits de autoriteit van de Kerk in de eerste plaats gebaseerd is op de Schriften, begint hij zijn goed gestructureerde aanval met de Bijbel zelf in vraag te stellen. “Als ene Johannes zegt dat het Woord God is, dan is dat de hem uit het hart gegrepen manier om de verhouding tussen Jezus en God te zien, maar zijn zienswijze verplicht mij daarom nog niet dat ook zelf zo te zien” (pag. 20). Natuurlijk ziet of gelooft hij al of niet wat hij zelf wil, zoals elke staatsburger. Zijn uitspraak is zelfs volkomen logisch voor iemand die het rijke panorama van de katholieke geloofsvisie heeft ingeruild voor de enge tunnelvisie van een “theonomie”, waarin slechts plaats is voor controleerbare kettingen van oorzaken en gevolgen. Maar als verlichte geest zou hij ook moeten leren consequent te zijn tegenover zichzelf en niet als een schadelijke worm genesteld te blijven in de structuur van een kerkelijk instituut, waarvoor de Evangeliën heilige boeken zijn, waarin God zelf aan het woord komt.

  • Hoe Katholieke dogma’s in Lenaers’ prullenbak belandden

Na op die manier afstand genomen te hebben van de zienswijze van de evangelisten, pakt Roger rechtstreeks het leergezag van de Kerk aan. Op pag. 24 wijst hij op de meest flagrante tegenspraak die hij gevonden heeft. Zij moet bewijzen dat het Kerkelijk leergezag niet gestuurd wordt door de H. Geest. “Volgens het concilie van Florence is de hele niet rooms-katholieke rest van de wereld, of die rest nu deugdzaam is of niet, gegarandeerd op weg naar de hel; volgens het 2e Vaticaanse concilie is ook elke niet-katholieke vrome op zijn wijze op weg naar de hemel” (pag.24). Hier gebruikt hij de tegenovergestelde methodiek als deze die hij hanteert bij het beoordelen van Bijbelteksten: de letterlijke interpretatie. Als men de betreffende concilieteksten uit hun geschiedkundige context licht en letterlijk opvat, dan spreken zij mekaar wel degelijk frontaal tegen. Maar het gaat hier over het Concilie van Bazel-Ferrara-Florence, waarvan het officiële einde onbekend is, dat plaatsvond in een zeer woelige tijd van schisma’s en antipausen, en dat daarenboven niet behoort tot de 21 door de Katholieke Kerk erkende “Oecumenische Concilies” (de benaming van een volwaardig concilie).(°)

Er moet hier ook op gewezen worden dat niet alle uitspraken van concilies, synoden en pausen dogma’s zijn. Men kan in sommige conciliaire teksten inderdaad evoluties zien in de manier van denken over niet dogmatische onderwerpen en ook de dogma’s zelf zijn de uiteindelijke vrucht van diepgaand en langdurig overleg. Voor wat betreft de hiervoor aangehaalde zaak, leert de Kerk ons heel duidelijk dat het eindoordeel over de mens in Gods handen ligt en niet in die van een kerkelijke instantie, ook niet van een concilie. Daarenboven is het verlossende bloed van onze Heiland vergoten voor ALLE mensen, ook voor hen die niet het voorrecht hadden het katholiek geloof te leren kennen.

Het enige wat we hieruit kunnen leren – en daarin heeft Lenaers voor één keer gelijk – is dat niet alles wat prelaten, bisschoppen en zelfs pausen zeggen of schrijven altijd juist is. Dat het dogma van de onfeilbaarheid slechts in zeer uitzonderlijke gevallen van toepassing is op de paus, of op de paus in vereniging met de bisschoppen, zou intussen toch al voldoende bekend moeten zijn. Dit doet niets af aan het leergezag van de opvolgers van de apostelen. Niemand zal beweren dat al wat leraren of professoren in een onderwijsinstelling vertellen altijd juist is, maar toch wordt hun leergezag in de materie die zij doceren algemeen aanvaardt en hetzelfde geldt voor kerkelijke ambtsdragers op hun domein. Maar voor mijnheer Lenaers is de Paus gewoon een andere mijnheer. “Zijn functie is dan ook niet die van leraar van één miljard als onwetend te beschouwen katholieken” (pag. 26). Klaarblijkelijk beschouwt Roger alvast zijn eigen bedenksels als veel leerzamer dan pauselijke encyclieken en rekent hij zichzelf zeker niet bij die miljard “onwetenden”. In welk conciliedocument hij deze kwalificatie van zijn (ex) medegelovigen heeft gevonden, doet hij niet uit de doeken.

  • Een democratische meerderheid moet de geloofsinhoud bepalen

Naast de paus zetelt er in het Vaticaan nog een andere instantie waarmee hij een eitje te pellen heeft: de Congregatie van de Geloofsleer. Hij betwist de bevoegdheid ervan om dwalenden hun kerkelijke functies te ontnemen of hen af te zetten als docent in seminaries of universiteiten (pag. 28). Zij zijn immers niet “democratisch verkozen”, zoals de rechters in onze moderne maatschappijen. In deze schizofrene redenering wordt ervan uitgegaan dat de structuur van een godsdienstige organisatie dezelfde moet zijn als die van een hedendaagse staat. Maar zelfs daar worden rechters niet verkozen door het winnen van verkiezingen, maar op basis van hun competenties of hun politieke connecties. Daarenboven is het zo dat wie toetreedt tot een bepaalde geloofsgemeenschap vrijwillig de regels ervan aanvaardt. Dat is trouwens het geval in elke organisatie die naam waardig, ook bv. in vrijmetselarijverenigingen die zich, zoals hij, grotendeels baseren op “Verlichtingsideeën”. Niemand zal Roger een steen in de weg leggen als hij morgen besluit zijn eigen “geloofsclub” te stichten, met of zonder democratische structuur. Dat hebben heel wat protestantse en andere pastors hem al voorgedaan. Als hij zich met zijn nieuwe club bij die groep onafhankelijken aansluit hoeft hij alvast niet meer te beven bij de gedachte aan deze strenge kerkelijke instantie.

Volgens Lenaers was er bij de eerste christenen “van een recht tot straffend optreden tegen medegelovigen nergens sprake” (pag. 29). Nochtans werd hun gemeenschap al vlug geconfronteerd met de noodzaak om twisten te beslechten, zich te organiseren en daartoe aanvoerders aan te stellen, zoals bv. de H. Stefanus, de eerste martelaar.  In Hand. 5: 1-11 wordt verhaald hoe Petrus een echtpaar dat een deel van haar goederen had achtergehouden streng beoordeelde, hetgeen hun dood veroorzaakte. Ook Paulus moest verscheidene malen tussenbeide komen en waarschuwen tegen bepaalde groepen of verkeerde opvattingen. Dat alles is trouwens volledig normaal en onvermijdelijk in elke gemeenschap of beweging. Maar volgens Lenaers “kan het recht om over geloofsvoorstellingen van anderen te oordelen alleen maar komen van de kerkgemeenschap” (id.). Als we dit waanzinnig idee ernstig zouden nemen, dan zouden meer dan een miljard mensen zich telkens via massale verkiezingen moeten uitspreken, als een of andere overijverige theoloog met een nieuw godsdienstig fictieverhaal  voor de dag komt. Organisatorische logica is duidelijk niet zijn best ontwikkeld talent.

  • Al het niet theonomische is beeldtaal

Het leidmotief waarvan Lenaers zich telkens weer bediend is dat van de “beeldtaal”. Het Godsmysterie is ondoorgrondelijk en bijgevolg doet de gelovige gemeenschap beroep op een beeldtaal om hierover te spreken. Dat deze niet letterlijk mag opgevat worden, zullen de meeste katholieken wel beseffen. Iets anders wordt het wanneer geloofshervormers, zoals Lenaers, overal “beeldtaal” gaan ontdekken, bij al wat niet klopt met het gronddogma van de theonomie: dat er geen geestelijke wereld bestaat die rechtstreeks kan ingrijpen in de vastgelegde gang van zaken binnen het universum. Al wat daarnaar zou kunnen verwijzen, noemt Lenaers “mythe” of “Het verborgen gevaar van de onvermijdelijke beeldtaal” (pag. 42). Op die wantrouwige basis stoelt hij zijn beoordelingen van alle teksten, zowel uit de Schriften als uit de Kerkelijke documenten. Dit resulteert in een uiterst destructieve wasbeurt, waarbij hij zowel het kind (de Kerkleer) als het badwater (de H. Geest die de Kerk leidt) weggooit, en ook de badkuip (de H. Kerk als instituut).

  • De goddelijkheid van Christus ontkend

Een basisgegeven voor het allergrootste deel van het christendom is de goddelijkheid van Jezus en dat zint Roger helemaal niet. Hij gaat dus op zoek naar de oorsprong van de kerkelijke belijdenis “Jezus Christus, waarachtig God en waarachtig mens”. Op pag. 51 beweert hij dat “hij (Jezus) zich in geen geval voor een goddelijk wezen gehouden heeft” en dat “de belijdenis van Jezus’ goddelijkheid nog niet opduikt tijdens zijn leven en zelfs niet in de eerste decennia na zijn dood, maar pas 60-70 jaar later”. Hij baseert zich hiervoor op “de bronnen die het dichtst bij de tijd van Jezus’ optreden en tragische dood liggen”. Welke mysterieuze bronnen hij aangeboord heeft, verklapt hij niet. Het Nieuw Testament, dat de grondvesten bevat van het christelijk geloof, valt daar zeker niet onder, want daarin is herhaaldelijk sprake van Jezus als Gods Zoon. De officiële bevestiging tegenover het Sanhedrin, door Jezus zelf, dat Hij Gods Zoon is, was trouwens de reden van zijn terdoodveroordeling. Een andere reden wordt nergens vermeld.  Nadien verklaarde Jezus tegenover Pilatus “Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld” en vervolgens “Ik ben Koning. Ik ben geboren en in de wereld gekomen, juist om te getuigen van de waarheid.” (Joh. 18: 36-37). Pilatus velde geen oordeel over deze aanspraken en vroeg zich af waar de waarheid was. Maar twee millennia na dit wereldveranderend juridisch drama is alles voor een zekere Lenaers zonneklaar. Volgens hem gaat het hier gewoon over heteronome bedenksels, ofwel van een zichzelf overschattende Jezus die graag met zijn leven speelde, ofwel van een zekere Johannes die enkele tientallen jaren later aan zijn stichtelijke verhaaltjes over Jezus graag wat koninklijke of goddelijke glans gaf.

Jezus kan als Zoon niet anders dan dezelfde natuur hebben als zijn Vader. Dat is ook zo ten opzichte van zijn moeder Maria. Dit is de reden waarom de Kerk leert dat Jezus twee naturen heeft en zowel God als mens is. Voor iemand zoals Roger, die zelfs niet kan aannemen dat er twee realiteiten bestaan, de geestelijke en de materiële, is dat dogma natuurlijk niet aanvaardbaar. Hij mag gerust zijn reformatorische stellingen verdedigen, maar dan liefst met steekhoudende argumenten en niet door het negeren van essentiële gegevens uit de overgeleverde geschiedenis van de Hoofdbetrokkene: Jezus Christus. Nog erger wordt het als hij het mysterie van de Drie-eenheid aanpakt. Dat beschouwt hij als de geniale theologische oplossing “om joods monotheïsme te verzoenen met hellenistisch polytheïsme” (pag. 56). Waar hij de veronderstelling vandaan haalt dat er in de vierde en vijfde eeuw in de Concilies van Nicea, Constantinopel of Chalcedon veel afstammelingen van joden of aanhangers van enig polytheïsme zouden gezeteld hebben, wordt niet toegelicht.

  • Het verrijzenisgeloof ontmanteld

In zijn poging om het verrijzenisgeloof theonomisch te “vertalen”, zet Lenaers het mens- en wereldbeeld van Israël uiteen. Daarin zou volgens zijn modernistische exegese pas vanaf de 2e eeuw v.C. sprake zijn van een geloof in een “tweedekansleven” (sic. pag. 97). Daarenboven zouden de Joden ten tijde van Jezus geen onderscheid gemaakt hebben tussen hun geest (dus wat wij ziel noemen) en hun lichaam (pag. 96). Dat blijkt echter helemaal niet uit de evangeliën. Om slechts één sprekend voorbeeld te geven: de laatste woorden van Jezus (die toch ook een Jood was), waren: “Vader, in uw handen beveel ik mijn geest” (Lukas23:46). Het is duidelijk dat Hij hiermee niet iets bedoelde dat onafscheidelijk deel uitmaakte van zijn stervend lichaam.

Voor wat de Joden en Israëlieten van voor de 2e eeuw v.C. betreft, is het eveneens nonsens te beweren: “als enige cultuur van het Midden-Oosten wist Israël niets van een voortleven na de dood, hoogstens van een schimmenbestaan in de sheol, maar iets zo bleeks en bloedeloos verdiende in hun ogen de rijke naam van leven niet” (pag. 96). Er zijn genoeg aanwijzingen in het Oude Testament die dit modernistisch simplisme tegenspreken. Ook hier weer beperken wij ons tot één sprekend voorbeeld, namelijk het verhaal van de zeven Makkabese martelaren en hun moeder, waarin zij duidelijk hun geloof uitspraken in een uiteindelijke beloning in het hiernamaals (2 Mak, 7). Hierin wordt expliciet over de Verrijzenis en het eeuwig leven gesproken. Het gaat hier dus over iets dat heel diep geworteld was in het Joodse denken en niet over een ontluikend vermoeden dat “de dood toch niet het onherroepelijke einde hoeft te zijn” (pag. 96). Meer in het algemeen kan men stellen dat het moeilijk te aanvaarden is dat de Israëlieten in deze fundamentele geloofsmaterie immuun zouden geweest zijn voor de opvattingen van de hen omringende volkeren, in het bijzonder de Egyptische, waarin de cultus van het hiernamaals een grote rol speelde.

  • Het Godsgeloof herleid tot filosofische hersenspinsels

Het boekje van Roger wemelt van de extravagante beweringen en het is ondoenbaar om die hier allemaal grondig te bespreken. Aan de afbraak van de Mariaverering en de dogma’s ter zake spendeert hij haast 20 bladzijden. Die verering zou immers niet gestoeld zijn op een solide Schriftuurlijke basis, maar natuurlijk op “mythes”, het toverwoord waarmee het modernisme de ganse christelijke geloofstraditie tracht te transformeren tot een materialistische gelovigheid in een vage “liefdesgod”. Dat filosofisch allegaartje heeft niets meer te maken met het geloof dat Jezus van zijn volgelingen verlangde bij heel wat gelegenheden, met woorden zoals: “Uw geloof heeft u gered” of “Zo gij een geloof hebt als een mosterdzaadje, dan zult ge zeggen tot deze berg: Ga van hier daarheen en hij zal gaan; en niets zal u onmogelijk zijn” (Mat. 17:20).

 ”Theonomisten” en aanverwanten geloven op de keper beschouwd nog enkel in zichzelf en in wat volgens hun beperkt menselijk bevatting- en waarnemingsvermogen mogelijk is. In plaats van de verlossende boodschap van een hemelse Vader die zijn Zoon stuurde, om ons op te tillen uit ons egoïsme en onze kortzichtigheid, krijgen we van hen goedkope darwinistische verhaaltjes opgediend. Daarin is de mens een verbeterde versie van de pythecantropus, een dier dus dat niet in staat is tot zonde, laat staan tot erfelijke zonde, want het heeft nooit van God enig concreet gebod meegekregen. Dat mensdier mag zich gelukkig verklaren dat soortgenoten zoals mijnheer Lenaers eindelijk hebben begrepen hoe de vork precies in de steel zit en dat zij tijd noch moeite sparen om anderen te bekeren tot het geloof in hun verlichte werkelijkheidsvisies. Of er voor zulke visies veel martelaren hun leven zullen laten, valt nochtans te betwijfelen.

Laten wij ons kordaat distantiëren van alle schimmige geloofsvormen die zich vooral of uitsluitend beroepen op de menselijke rede, alsof alle heil daarvan moet komen. Laten wij de boodschap van Christus verkiezen boven die van Lenaers en Co, en ons in vertrouwen wenden tot Hem, die niet onderwees met theologische verhandelingen of filosofische traktaten, maar met het voorbeeld van zijn leven, dood en verrijzenis.

(°) Rechtzetting: Het concilie van Bazel – Ferrara – Florence is wel degelijk opgenomen in de 21 oecumenische concilies. Maar gezien het woelige karakter ervan, de onbekende afsluitdatum, de machtsstrijd tussen pausen en concilievaders, het zogenaamde einde van het schisma met de oosterse Kerk dat achteraf fictief bleek, enz., kan men zich vragen stellen over de juiste interpretatie van sommige besluiten van dit concilie. De juiste interpretatie van dit belangrijk geloofspunt, in het licht van het tweede Vaticaans Concilie, moet rekening houden met het gegeven dat men niet zomaar kan zeggen van iemand dat hij “ongelovig” is en van de Kerk gescheiden, zolang de betrokken persoon niet volwaardig de kans gekregen heeft om tot het ware Godsgeloof te komen. Het zal uiteindelijk God zijn en Hij alleen die over iedereen zal oordelen. Ook voor wat betreft overleden ongedoopte kinderen, mogen we gelovig vertrouwen op Gods onmetelijke liefde voor de mensen.

Omgekeerd moeten wij ons goed bewust zijn dat gelovige katholieken tot taak hebben het geloof in God en in het toekomstig heil bij onze medemensen te stimuleren, door onze woorden en daden, want dat is het bewijs dat ons geloof echt is en niet alleen een opportunistische of oppervlakkige houding. Wij hebben het daarbij natuurlijk niet over een filosofisch resultaat van onze hersenactiviteit, maar over de reële persoonlijke God, die zich aan de mensen heeft geopenbaard, die ons naar zich toe leidt en met wie wij in gebed kunnen communiceren.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s