Het vagevuur en de factor tijd

11-08-2014

De toon van het publieke discours van wetenschappers zoals Richard Dawkins of Stephen Hawking, of filosofen zoals Etienne Vermeersch, suggereert dat de mensheid in het algemeen (en zijzelf in het bijzonder) al veel weet over de “gehele werkelijkheid” en zelfs op het punt staat om er zo goed als alles over te weten. Met alle respect voor hun opmerkelijke verstandelijke vermogens, mag gerust worden aangenomen dat hun optimisme of “atheïstisch geloof in de wetenschappelijke toekomst” een luchtkasteel of fata morgana creëert. Dit om de eenvoudige reden dat de menselijke wetenschap onlosmakelijk gebonden is aan de 4 dimensies van tijd en ruimte.

Op ruimtelijk gebied valt alle wetenschappelijk begripsvermogen letterlijk in het niet in twee richtingen. Niemand kan met wetenschappelijke zekerheid aantonen of berekenen wat er achter het waarneembaar universum ligt, vermits wetenschappelijkheid gebonden is aan proefondervindelijke waarneming en herhaalbaarheid. Ook in de andere richting, die van het onvoorstelbaar kleine, graait de wetenschap in het luchtledige. Zij komt gewoon tot de conclusie dat wat wij doorgaans als “materie” beschouwen in feite niet bestaat, maar een complex is van elkaar beïnvloedende energieën, waarvan de wezenlijke aard moeilijk kan uitgedrukt worden in wetenschappelijke begrippen. Hoe dieper men afdaalt in de wereld van het allerkleinste, hoe complexer hij wordt. Hij is daarenboven bevolkt met “deeltjes” die de neiging vertonen om verstoppertje te spelen in de peperdure toestellen en gigantische cyclotrons van de onderzoekers en om zich “onberekenbaar te gedragen”.

Voor wat de dimensie tijd betreft: ook daar moet een eerlijk onderzoeker er zich bij neerleggen dat onze tijdelijkheid stevig ingebed ligt in een eeuwigheiddimensie die voor het menselijk verstand niet te vatten is. “Reizen door de tijd” zal enkel mogelijk blijven in sciencefiction verhalen en zelfs de archeologische zoektocht naar het verleden botst op de onherhaalbaarheid ervan. Een wetenschapper die zich voorneemt deze grenzen toch te doorbreken is vergelijkbaar met de Griekse mythologische Sisyphos die de goden uitdaagde en als straf een rotsblok tegen een berghelling moet opduwen, dat telkens opnieuw naar beneden rolt. We kunnen ook denken aan het visioen van kerkvader Sint Augustinus. Daarin zag hij een kind water uit de zee naar een kuiltje dragen. Augustinus zei tot het kind dat de zee echt niet in dat kuiltje past, waarop het kind antwoordde: en denk jij dat het ontzagwekkende mysterie van God wel in jouw hoofd past?

Aangekomen aan de grens van het waarneembare, voorstelbare en berekenbare moet de wetenschap redelijkerwijze plaats maken voor andere cognitieve mogelijkheden, zoals wijsheid, intuïtie, filosofische inzichten en religieuze ervaringen. Zij kan en mag natuurlijk de materiële conclusies afkomstig van een buitenwetenschappelijke of bovennatuurlijke denkwereld kritisch evalueren, maar als zij dat terrein ook zelf wil betreden wordt zij ronduit ridicuul, zelfs al slaagt zij er tijdelijk in een grote aanhang met waanvoorstellingen of buitenissige “onderzoeksresultaten” te begoochelen.

Theologie is bij uitstek een vak dat zich op zulk buitenwetenschappelijk terrein begeeft. Zolang de beoefenaars ervan zich beperken tot het gebruiken van wetenschappelijke onderzoeksmethodes om het waarheidsgehalte of de interne logica van godsdienstige stellingen te onderzoeken, of om de historische werkelijkheid van religieuze verhalen te evalueren en zo mogelijk gedeeltelijk te reconstrueren, blijven de beoefenaars ervan binnen de krijtlijnen. Maar wanneer zij hierbij niet alleen een wetenschappelijke methodologie gebruiken, maar eveneens de wetenschappelijke kennis toepassen op feiten of opvattingen van bovennatuurlijke aard, dan trappen zij in dezelfde val als de overmoedige wetenschappers van andere vakgebieden. Het moet gezegd dat de bekoring hiertoe groot kan zijn, ten gevolge van de drang naar wereldlijke acceptatie en prestige.

De katholieke leer over het vagevuur kan beschouwd worden als een typevoorbeeld van een omstreden geloofspunt en theologische stelling, waarin een religieuze waarheid in botsing komt met wetenschappelijkheid en zelfs met menselijke logica.  Slechts weinige diepgelovige katholieken zijn in staat om zonder voorbereiding een coherente visie over het vagevuur naar voor te brengen. Het feit  dat de visie over het vagevuur, tijdens de historische ontwikkeling ervan, beladen werd met een mengeling van bovenaardse zowel als wereldlijke elementen, is daar zeker niet vreemd aan. In se gaat het gaat hier echter om een immaterieel en dus hoogst “onwetenschappelijk” onderwerp, dat steeds een grote impact heeft gehad op het religieuze doen en laten binnen de katholieke geloofsgemeenschap. Sinds ongeveer een millennium is het daarenboven onafscheidelijk verbonden met een ingevoerd gebruik dat nog veel meer vragen en bedenkingen oproept: dat van de aflaten.

Het vagevuur, in het Latijn “purgatorium” genoemd, is een plek of een “toestand”, waarin de ziel een louterende of zuiverende straf ondergaat voor zonden die wel al vergeven zijn maar nog niet uitgeboet. Men kan het ook beschouwen als een transformatieproces naar de noodzakelijke staat van heiligheid of volmaaktheid om het hemels paradijs te kunnen binnengaan. Uit deze uiteenlopende definities blijkt nogmaals dat onze menselijke woordenschat dikwijls tekort schiet om bovennatuurlijke werkelijkheden adequaat weer te geven. Maar we staan hier ook voor een bijkomend probleem. Hel en hemel zijn voor het menselijk verstand redelijk gemakkelijk te situeren. Zij behoren definitief bij de eeuwigheid, een stabiele situatie waarin “tijd” geen rol meer speelt. Maar dit is niet het geval voor het vagevuur: dat is immers per definitie “tijdelijk”.

Protestanten hebben in navolging van Luther en Calvijn dit probleem van de baan geschoven door het vagevuur als geloofspunt te bannen. Er zijn dus in hun ogen voor de ziel maar twee mogelijke toestanden: de tijdelijke en de eeuwige. Een overgangsfase van de ene naar de andere is er niet. Dat lijkt op het eerste gezicht redelijk logisch en het is in ieder geval gemakkelijker te vatten. Al wat met “tijd” te maken heeft is immers gebonden aan veranderlijkheid en vice versa. Moesten er in onze waarneembare werkelijkheid geen veranderingen optreden zou er ook geen tijd meer zijn.  Dat is menselijkerwijze wijze gesproken ook wat er met ons gebeurt na de dood. Enkel ons lichaam ondergaat nog een veranderingsproces onder de vorm van afbraak, maar onze ziel kan ons niet meer aanzetten tot goede of kwade beslissingen en komt dus schijnbaar dadelijk in een tijdloze toestand van onveranderlijkheid terecht. Zo lijkt het althans, maar dit klopt niet met de katholieke leer over het vagevuur. Laten we dus even nagaan waarop deze is gestoeld en hoe die “contradictie” tussen geloof en logisch verwachtingspatroon te overbruggen valt.

Een belangrijk aspect van de katholieke leer over het menselijk zielenleven is dat men hierin drie stadia kan onderscheiden: het aardse leven, de periode na onze dood tot aan de voleinding der tijden en tenslotte de oneindige periode die zal aanvangen na het Laatste Oordeel. Er is dus wel degelijk sprake van een tussenstadium. De vraag die ons nu bezig houdt kan dus als volgt worden geformuleerd: wat gebeurt er met de zielen van de afgestorvenen in de periode die het aangekondigde Laatste Oordeel voorafgaat? Om deze goed te beantwoorden gaan we eerst terug naar de bronnen (de H. Schrift en de Kerkvaders) en bekijken we vervolgens de dogmatische leerstelling en de meer recente pauselijke uitspraken hierover.

Het oudste Bijbelverhaal waarin uitdrukkelijk sprake is van een rechtstreekse betrokkenheid van het Joodse Volk met de zielstoestand van hun overledenen vinden we terug in 2 Makkabeeën 12, 40-44. De Joden bidden en dragen offers op voor hun gesneuvelden tijdens de opstand tegen hun Syrische overheersers. Ook het geloof in de verrijzenis wordt hierbij vermeld. In de evangelies vinden we geen passages waarin expliciet gesproken wordt over de “tussentoestand” van de ziel na de dood, maar het feit zelf dat Christus heel concreet gewag maakt van de “Laatste dag” waarop alle mensen zullen heropstaan en worden geoordeeld, impliceert dat de zielen in afwachting hiervan nog niet hun definitieve status hebben bereikt. Voor de vromen en gelouterden zal dat laatste het eeuwig leven zijn in het aanschijn van God, voor de anderen de uiteindelijke terdoodveroordeling (of tweede dood) van hun lichaam en de eeuwigdurende scheiding van hun ziel met haar Schepper. Een tijdgebonden stadium bestaat dan niet meer.

In 1 Petrus 3, 19 lezen we expliciet: “In de Geest is Hij dan ook aan de geesten in de kerker gaan preken: aan hen die eertijds onwillig waren geweest, toen in de dagen van Noë Gods lankmoedigheid bleef wachten tot dat de ark was gebouwd…”. Hier zien we dat Jezus deed wat voor mens en wetenschap onmogelijk is: in de Geest verricht Hij als het ware een reis doorheen de tijd en redt de zielen van hen die omkwamen in de Zondvloed. Dat bevestigt een gezegde van Gods Zoon tijdens zijn aardse prediking: “Wat bij de mensen onmogelijk is, is mogelijk voor God” (Lukas 18, 27, Marcus 10, 27, Matheus 19, 26). Een belangrijk tweeledig fundament van de katholieke leer over het vagevuur komt hier tot uiting: Gods almacht en zijn volhardende barmhartigheid. Deze laatste blijft continu werkzaam tot het onherroepelijk eindoordeel over ieder mens is geveld en er geen “tijden” of toestandsveranderingen meer mogelijk zijn.

Het geloof in een tussentoestand, waarin de zielen gezuiverd worden om waardig voor God te kunnen verschijnen, bestond bijgevolg al binnen de eerste christelijke gemeenschappen. Voorbeelden hiervan zijn te vinden in de overgeleverde geschriften van de Kerkvaders, waarvan we hier enkele passages citeren. De H. Justinus (ca. 150 n.C.) schreef: “Wat dan? Dat de zielen der vromen weliswaar op een betere plaats verblijven, van de zondigen en slechten op een slechtere, in afwachting van de tijd van het oordeel…” (Dialoog met de jood Tryphon, 5). De H. Cyrillus (ca. 350): “Wanneer wij gelijkerwijze ook voor de overledenen, ook al zijn zij zondaars, gebeden aan God opdragen, doen wij geen nutteloos werk, maar dragen Christus op, die voor onze zonden geslachtofferd is, ons beijverend God zowel voor hen als voor ons gunstig te stemmen” (Catecheses, 23, 10). De H. Augustinus heeft het herhaaldelijk gehad over de zielen van het vagevuur, o.a.: “Er hoeft volstrekt niet aan getwijfeld te worden dat dit de overledenen ten goede komt, maar aan zij die voor hun dood zo geleefd hebben dat hun dit na hun dood ten nutte kan zijn” (Sermo, 172,2,2); “Tijdelijke straffen lijden sommigen slechts in dit leven, anderen na de dood, anderen zowel nu als dan, maar vóór het aller-strengste en laatste oordeel. Niet allen echter die na hun dood tijdelijke straffen verduren, komen in de eeuwige straffen die er na dat oordeel zullen zijn” (De civitate Dei, 21, 13); “Men houde aan dat er slechts zuiverende straffen zullen zijn vóór dat laatste en vreselijke oordeel” (De civitate Dei, 21, 16).

Rond het begin van het tweede millennium ontstond een volksgeloof, waarin het vagevuur werd afgeschilderd als een concrete “plaats”, die het uitzicht had van een vuurpoel. Aan het verblijf in dat zuiverend vuur werd ook een ongekende “duurtijd” toegeschreven, nodig als straf voor de weliswaar vergeven maar nog onvolledig uitgeboete zonden. Alhoewel de Kerk dit laatste volksgeloof nooit dogmatisch heeft bevestigd, leidde het tot het kerkelijk invoeren van “aflaten” waarmee men die duurtijd voor zichzelf of anderen kon inkorten. Deze praktijk evolueerde op zijn beurt tot ernstige mistoestanden, waarbij op grote schaal uit winstbejag met aflaten werd gesjoemeld, zelfs zonder enige kerkelijke toestemming.  Na verloop van tijd werd dit misbruik binnen de Kerk aangeklaagd als een vorm van “simonie”, het verhandelen van geestelijke zaken. Het speelde een hoofdrol in het ontstaan van de Reformatie en het schisma waarbij de Protestanten zich afscheurden. Eerst bleef Luther de leer over het vagevuur zelf trouw, om hem nadien echter af te zweren. Calvijn kantte zich dadelijk tegen het concept vagevuur, vooral ten gevolge van de ermee samenhangende aflatenpraktijk; maar hij had ook ernstige problemen met de idee van een letterlijk “vuur”. Desondanks vindt men ook in protestantse kringen mensen die geloven in het bestaan van een vorm van reiniging na de dood.

Tijdens het Concilie van Trente werd in 1563 de leer over het vagevuur dogmatisch vastgelegd met de volgende formulering: “Dat er een reinigingsoord (purgatorium) bestaat en dat daar de vastgehouden zielen door de voorbeden van de gelovigen en vooral door het welgevallige Misoffer worden geholpen”. Er werd aan toegevoegd dat er over dat purgatorium geen onnodige en zeker geen misleidende speculaties gemaakt moesten worden. Dit kan ook toegepast worden op de term “oord” die in feite een symbolische betekenis heeft, zoals in 1999 bevestigd door Paus Johannes Paulus II. Hij lichtte toe dat het vagevuur geen plaats, maar een staat van bestaan (m.a.w. iets als een toestand) is. De mooiste omschrijving van het vagevuur komt m.i. van de hand van Paus Benedictus XVI, in zijn encycliek Spe Salvi: “In de pijn van deze ontmoeting [met Christus], waarin ons het onreine en zieke van ons bestaan geopenbaard wordt, is redding. Zijn blik, de aanraking van Zijn hart, geneest ons in een ongetwijfeld pijnlijke omvorming, ‘om zo te zeggen door het vuur heen’. Maar het is een zalige pijn, waarin de heilige macht van Zijn liefde ons brandend doordringt, zodat wij uiteindelijk geheel onszelf worden en daardoor geheel aan God toebehoren”. Hier ook weer toonde Benedictus XVI zijn bijzondere vaardigheid om moeilijke begrippen te omschrijven in een verhelderende taal, zowel theologisch als litterair van een hoogstaand gehalte.

Blijft natuurlijk het probleem van de factor “tijd”, onafscheidelijk verbonden met al wat “verandering” is. Hoe kan een ziel die post mortem in een tijdloze toestand van machteloosheid terecht komt, nog een verandering ondergaan? Zij valt als het ware in een uniform zwart tijdgat, waarin het van geen enkel belang meer is of zij daar één uur, één dag, of bv. tienduizend jaar in verblijft. Dit geldt zowel voor de mensen uit de prehistorie als voor zij die vlak voor het Laatste Oordeel zullen overlijden.

We willen bij het zoeken naar een antwoord hierop de aanmaning van het Concilie van Trente in acht nemen betreffende speculaties over de precieze aard van het purgatorium en zeker niet pretenderen dat de geestelijke wereld gemakkelijk in aardse woorden is te vatten. Maar toch blijft er de menselijke behoefte om over de religieuze zaken die ons ter harte gaan een zo klaar mogelijke visie te hebben. Voor wat betreft het vagevuur is die verstrengeld met onze ideeën over het concept “ziel”. In het artikel “De Hemel” van deze rubriek werd hiervan de volgende mogelijke omschrijving voorgesteld: “Het is de geestelijke essentie van ons mens-zijn, datgene wat God specifiek en individueel aan iedere mens meegeeft bij zijn ontstaan in de moederschoot en dat ons gaandeweg in staat stelt Hem te ontdekken, in Hem te geloven en met Hem door woorden en daden in contact te treden, op vrijwillige basis”.

Zoals blijkt uit onze dagelijkse ervaring bij onszelf en om ons heen, kan onze ziel alle kanten uit en is zij als gevolg hiervan niet “volmaakt”, maar “verdeeld”. We streven eventueel naar volmaaktheid en naar het dienen van God, maar slechts “tot op zekere hoogte”. Maar willen we eens binnentreden in Gods Vaderhuis, dan moeten onze kleren eerst worden “witgewassen in het bloed van het Lam” (Apokalyps 7, 14). Met andere woorden, onze ziel moet worden uitgezuiverd. Redelijkerwijze mogen we aannemen dat veel mensen (waarschijnlijk de overgrote meerderheid) sterven zonder dat hun ziel zich volmaakt in dienst van God gesteld heeft, terwijl eventueel ook hun zonden nog niet helemaal werden uitgeboet. Alhoewel we in de evangelies geen uitgewerkte leerstelling terugvinden over het “vagevuur” dat voor die zuivering moet zorgen (Jezus onderrichte met parabels en in gewone mensentaal), is er toch een gezegde van Christus dat hiernaar verwijst: “het is gemakkelijker voor een kameel om door het oog van een naald te gaan dan voor een rijke om het koninkrijk van God binnen te gaan” (vlak voor de aangehaalde passage die ons leert dat God vermag wat voor mensen onmogelijk is). Hier is dus sprake van een “doorgang” voor de ziel, die symbool staat voor haar noodzakelijke zuiveringsproces.

Onze ziel is bezoedeld door een drang naar tijdelijk aards geluk die onze hunker naar God smoort. Die binding aan het materiële en tijdelijke moet eerst worden verwijderd. In feite moeten we ertoe komen om, zoals Sint Franciscus, alle rijkdom en gehechtheden, desnoods tot en met onze kledij, af te leggen willen wij door dat “oog van een naald” geraken. Dat kost zoveel pijn dat het voor een doorsnee mens bij leven haast onmogelijk is. Het is dan dat Gods barmhartigheid en almacht in werking treden om onze ziel te redden en te zuiveren, zodat zij haar eindbestemming kan bereiken via een ultieme “wedergeboorte” aan het einde van alle tijden. Hij kent de ziel die Hij ons heeft geschonken door en door en Hij is Heerser over tijd en eeuwigheid, dus ook over alle mogelijke tussenstadia die voor ons menselijk brein niet te vatten zijn.

Laten we hierover verder ons hoofd niet breken, de woorden van het Kind in het visioen van Sint Augustinus indachtig.

Één reactie op “Het vagevuur en de factor tijd”

– In de Schrift zijn er passages die duidelijk maken dat er een vagevuur moet bestaan. Zoals boven vermeld bv. in het 2e boek der Makkabeeën. Uit het oogpunt van de rechtvaardigheid kan men ook aannemen dat er een vagevuur moet bestaan. Er zijn mensen die heel veel kwaad gedaan hebben in hun leven, maar zich op het einde bekeerd hebben. Door hun bekering zullen ze tenslotte opgenomen worden in de hemel, maar men kan het als rechtvaardig beschouwen dat ze eerst een fase van uitboeten moeten doormaken na de dood.

– Ooit stelden mensen (o.a. theologen) zich de vraag : wat deed God vooraleer Hij de wereld schiep. Augustinus antwoordde dat God de tijd, zoals wij die kennen, geschapen heeft samen met alles wat we kunnen waarnemen (ruimte, materie). Het straffe is dat de moderne wetenschap gevonden heeft dat tijd en ruimte samen begonnen zijn (zo een 14 miljard jaar geleden), hetgeen in de visie van Augustinus past. In sommige boeken van kosmologie wordt Augustinus en zijn antwoord vermeld.

– In Fatima is Maria verschenen aan 3 herderskinderen, die op dit ogenblik heilig (2) of zalig (1) zijn. De gebeurtenissen zijn zeer betrouwbaar en goed gedocumenteerd. Daarbij is iets interessants te melden i.v.m. het vagevuur.
Op zeker ogenblik vraagt Lucia (de oudste van de 3 zienertjes) aan Maria of een zekere Amélia (een jonge vrouw tussen de 18 en de 20 jaar) (ook) in de hemel is. Het antwoord van Maria luidde : “Zij zal in het vagevuur blijven tot het einde van de wereld”. Een wonderlijk antwoord. Men kan er uit besluiten : 1) Er bestaat wel degelijk een vagevuur. 2) Het tijdsverloop in het vagevuur zal er anders uit zien dan hetgeen wij nu kennen, en het verloop van het uitboeten van de zonden kunnen we ons moeilijk voorstellen.

Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s