Introductie

De rol van zogenaamde natuurlijke selectie

Veel meer moeite heb ik met het tweede darwinistische “dogma”. Het leidt haast onvermijdelijk tot een materialistische wereldbeschouwing, vermits het de evolutie voorstelt als het resultaat van chaotische natuurlijke toevalligheden.  Meer dan honderd jaar na Charles Darwins overlijden, bestaat er echter nog geen enkel stevig bewijs voor deze theorie. Zij wordt eerder simpelweg als “evident” aanvaard door een groot deel van de wetenschappelijke wereld. Daarbij negeert men pertinent de vele vragen die zij oproept, vooral wat betreft de mogelijkheid om via “toeval” heel ingewikkelde, uiterst gespecialiseerde en doelgericht werkende organen of organismen te fabriceren. Volgens intelligent design wijst dit erop dat alle levensvormen in sprongen tot stand kwamen op basis van voorafgaande ontwerpen. Maar dat klopt niet met de fossiele bestanden. Zij leiden onvermijdelijk tot het besluit dat die zogenaamd ontworpen levensvormen onderhevig waren aan voortdurende en soms verregaande veranderingen en aanpassingen. Langs de andere kant stellen we vast dat die veranderingen zo uiterst langzaam plaatsvinden dat zij moeilijk de “oorzaak” kunnen zijn van de ongelooflijke diversiteit en complexiteit van alle levensvormen uit het verleden en het heden.

Hier botst men op een welbewust in stand gehouden foutieve redenering. Zij is gebaseerd op een ideologisch dogmatisme dat ons wil doen geloven dat “de natuur” soeverein en lukraak selecties uitvoert op organismen, en dat die wezens voor deze blinde “natuurgod” allemaal “gelijkwaardig” zijn (hetgeen we dan ook als mensen best nederig zouden erkennen). Laten we van bij de aanvang iets duidelijk maken: de natuurlijke omstandigheden “selecteren” hoegenaamd niets. Zij kunnen wel bepaalde levenspatronen moeilijk of onmogelijk maken en aldus tot extincties leiden. Die kunnen miljoenen jaren in beslag hebben genomen, of zeer abrupt zijn opgetreden als gevolg van catastrofen. In plaats van een “selecterende evolutieve” werking door de natuurlijke omstandigheden, zouden we dus beter spreken van een “occasioneel decimerende”. Evolutief leiden zij enkel tot secundaire adaptieve veranderingen, waarin de oorspronkelijke levensvormen nog goed merkbaar zijn. Het gaat daarbij vooral over veranderingen in kleur, beharing, lichaamsvolume, tandontwikkeling, … In extreme gevallen leiden die aanpassingen tot het vergroeien van beenderen, of het afsterven van sommige ledematen of organen, of nieuwe functies ervoor.

De hoofdprincipes van alle leven

Voor een aannemelijke verklaring van de enorme diversiteit van de soorten, gevormd binnen de duurtijd van het leven op aarde, moeten we beroep doen op complexe (macro-)mutaties en de onzichtbare eigenschap van alle leven waarvan ze het gevolg zijn: de al aangehaalde doelgerichte en intelligente creativiteit ervan. Als een wetenschapper opzienbarende onderzoeksresultaten bereikt, die tot een doorbraak leiden op een bepaald domein, dan wijten we dat niet zomaar aan “veel geluk”, maar aan zijn/haar werkkracht, luciditeit, methodiek, enz. Als sommige mensen aan hun leven plots een onverwachte wending geven, dan gaan we dit niet automatisch wijten aan hun levensomstandigheden. Die kunnen eventueel een belangrijke rol spelen bij het nemen van de beslissing en het uiteindelijke resultaat ervan meebepalen. Maar de beslissing en de praktische uitvoering ervan is het gevolg van iets waar anderen geen rechtstreekse toegang tot hebben: de werking van hun brein. Als we niet leren inzien dat er in alle levende wezens krachten schuilen die voor de wetenschap moeilijk te bestuderen zijn, omdat zij meer “geestelijk” dan “materieel” van aard zijn, dan verruilen we de beslissende interne oorzaken voor onvoorspelbare externe omstandigheden. Zodoende blijven we ons conformistisch vastklampen aan een gemakkelijk betwistbare darwinistische grondhypothese.

Welke bioloog durft te beweren dat hij weet “waarom” een zaadje zich in de grond ontwikkelt tot een plant? Wie kan met zekerheid voorspellen welke precieze vorm die plant zal aannemen? Hoe komt het dat het leven alle verschrikkelijke catastrofes die onze planeet hebben bedreigd met glans heeft weten te doorstaan? Om daar het juiste antwoord op te geven, moeten we ons goed bewust worden van twee fundamentele principes: 1. Alle levensvormen hebben overduidelijk hetzelfde doel: zichzelf en hun soort in stand houden. 2. Alle leven beschikt daartoe over de vereiste intelligentie (capaciteit tot informatievergaring, -verwerking en -gebruik) én de nodige “creativiteit” tot experimenteren met nieuwe mogelijkheden, spitsvondige oplossingen, en zelfs (zoals we verder zullen zien) “strategieën” voor een succesvol voortbestaan.

In het debat dat deze stellingnames onvermijdelijk uitlokt, is zelfkritiek aangewezen. Met welke bewijskrachtige argumenten kunnen we ze staven? Om te beginnen staat het onomstotelijk vast dat nieuwe soorten het gevolg zijn van belangrijke mutaties binnen het genetisch materiaal dat hun vorm en functionering bepaalt (grosso modo hun DNA). Er zijn geen aanwijzingen dat omgevingsfactoren zoals klimaat, voedselschaarste, predatoren, enz., rechtstreeks die interne veranderingen kunnen sturen. De DNA-vorming gebeurt via zeer complexe processen in splitsende celkernen, maar geen enkele wetenschapper kan uitleggen waarom die precies zo verlopen en niet anders. Het aandrijvende en regulerende “waarom” is duidelijk niet observeerbaar of materieel van aard. Maar schier alle onderzoekers zijn het er volmondig over eens dat de hieruit resulterende variabiliteit binnen een soort en de eventuele creatie van nieuwe soorten de overlevingskansen sterk bevorderen. Dit positieve resultaat beantwoordt volledig aan het hiervoor geformuleerde eerste levensprincipe, nl. de doelgerichte instandhouding van het leven. De uitstekende bescherming die variabiliteit beidt, toont ook aan dat die doelgerichtheid beschikt over een spitsvondige intelligentie. Moest zij puur willekeurig van aard zijn, dan zou zij te weinig goede kansen hebben gecreëerd om de vele abrupte omgevingsveranderingen in de loop van de aardgeschiedenis te overleven. De enorme hoeveelheid dier- en plantensoorten die deze overlevingsprestaties succesvol hebben verricht, evenals de veelzijdigheid en bewonderenswaardige inventiviteit waarmee dit gepaard ging, maken van zulk toevalscenario sciencefiction. De overlevingskansen van een soort worden daarenboven sterk bevorderd door de intelligentie ervan. Die komt uiteraard niet zomaar uit de lucht vallen, maar kan enkel verklaard worden als de ontplooiing van de intelligentie die schuilgaat in het erfelijk materiaal waaruit soorten gevormd worden.

Uit de voorafgaande redeneringen kunnen we besluiten dat niet een onvoorspelbare “natuur” of blinde toevalligheden de evolutie der levensvormen sturen, maar het doelgerichte leven zelf, van binnenuit. Niet het grillige principe van “survival of the fittest” is er de fundamentele drijfkracht van, maar de verborgen creatieve intelligentie van alle levende wezens.  Zolang we die rechtzetting niet durven of willen doorvoeren, zal de mensheid blijven ronddolen tussen de zogenaamd wetenschappelijk vastgelegde krijtlijnen van het materialistisch darwinisme.

De geestelijke aspecten van het leven, volgens twee bekende antropologen

In de hiernavolgende artikelen zullen we dit meer in detail bespreken, vanuit twee complementaire gezichtspunten: het antropologische en het theologische. We doen dit met dank aan de denkers en onderzoekers die met veel enthousiasme en geduld onze huidige kennis hebben opgebouwd. Daarom willen we hier in het kort twee bekende antropologen voorstellen. Beiden hadden op hun eigen manier oog voor de geestelijke werkelijkheden, die samen met de materiële het verloop of de evolutie van het aardse leven bepalen.

De eerste, Alfred Russel Wallace (1823 – 1913), maakte de omslag van materialist tot overtuigde niet-christelijke spiritualist. Oorspronkelijk had hij dezelfde opvattingen als Charles Darwin en samen hebben zij een omwenteling teweeggebracht in de biologie. Maar hij was m.i. groter en veelzijdiger dan zijn tot het wetenschappelijk pantheon verheven evenknie. Alhoewel hij ook nederiger was van aard, had hij de intellectuele moed voor diepgaander onderzoek, waaruit hij leerde dat we de levensbeginselen nooit kunnen begrijpen als we de geestelijke kant ervan blijven negeren. Alhoewel hij antiklerikaal was, liet hij zich niet voor een atheïstische kar spannen en werd bijgevolg zoveel mogelijk in de vergeethoek gestopt. Het te verwachten hoongelach (of tandengeknars?) als reactie op deze wetenschappelijke “majesteitsschennis” is onbelangrijk, want het is vooral ideologisch geïnspireerd en zal vroeg of laat verstommen.

De jezuïet Pierre Teilhard de Chardin (1881-1995), legde een andere weg af: van een visie op het leven waarin het spirituele het materiële genereert, naar opvattingen waarin het materiële en het geestelijke versmelten. Zijn scherpzinnig filosofisch en antropologisch levenswerk staat opnieuw in de belangstelling, ook in katholieke kringen van hoog tot laag, ondanks het feit dat zijn geschriften herhaaldelijk door de Kerk werden veroordeeld. Als geestelijke heeft hij zich steeds bij de kerkelijke beslissingen neergelegd, maar hij bleef wel zijn denkbeelden verder uitwerken. Die resulteerden in een theologisch-filosofische visie, die gretig werd overgenomen en verder ontwikkeld in het modernisme. Hij beschrijft een proces van groeiende vergeestelijking van de materie, maar waarin de strijd tussen goed en kwaad geen wezenlijke rol meer speelt. Zulk proces kan als “geestelijk darwinisme” worden gekwalificeerd. Christus wordt daarin niet voorgesteld als de verlosser van het kwade, maar als het evolutionaire einddoel (de “kosmische Christus”), waarin de mensheid zal worden opgenomen. De historische Christus van de evangeliën wordt aldus a.h.w. getransmuteerd tot een fenomeen dat past in een evolutionaire constructie. Deze verregaand monistische visie kan onmogelijk nog katholiek worden genoemd, aangezien het katholicisme fundamenteel dualistisch is: geest en materie, goed en kwaad, enz., zijn wezenlijk van verschillende aard. Toch vindt men in zijn werk ideeën die mij interessant lijken. Bruikbaar lijkt me zijn indeling van de aardgeschiedenis in een geosfeer (een levenloze aarde), een biosfeer (waarin het leven ontstaat en zich ontwikkelt) en tenslotte een noösfeer (waarin de huidige mens verschijnt en de geest primeert).

We beginnen deze artikelenreeks met een relevant interview met de eerstgenoemde geleerde, afgenomen toen hij al een eerbiedwaardige ouderdom had bereikt.

Ivo Van Hemelryk

(*) De Ierse bisschop James Usher berekende in 1650, dat de aarde geschapen was op 23 oktober van het jaar 4004 v.C., volgens de Juliaanse kalender. In onze huidige Gregoriaanse tijdrekening wordt dat 21 september van hetzelfde jaar. De berekening gebeurde o.a. op basis van de ouderdommen van in de Bijbel vermelde personages. De Bijbel wordt aldus behandeld alsof het een modern geschiedkundig handboek is.

(**) Een leerrijk boek over dit onderwerp, met een degeljjke wetenschappelijke bronvermelding, is “De Zondvloed: van mythe tot historische werkelijkheid”, van het geologenechtpaar Alexander en Edith Tollman (Universiteit Wenen), uitg. Tirion, Baarn. Men kan en mag dit boek uiteraard bekritiseren, maar men kan moeilijk ontkennen dat het een baanbrekend werk is, dat een brug legt tussen geesteswetenschappen en geologische kennis.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s