Is het allemaal Gods schuld?

25-05-2012

Bij de aanschaf van een toestel met veel snufjes of nieuwigheden krijgt men meestal een gebruiksaanwijzing mee. Als men het toestel in gebruik neemt zonder die te hebben gelezen, kan het gebeuren dat het niet goed werkt en soms is er een kans op ernstige beschadiging ervan wegens verkeerde verrichtingen. Een slecht bediend apparaat kan zelfs gevaarlijk zijn voor de gebruikers of anderen die toevallig in de buurt zijn. De schuld hiervoor wordt in zulke gevallen nogal vlug in de schoenen van de verkoper of de fabrikant geschoven, terwijl men de problemen gemakkelijk had kunnen vermijden door eerst de instructies goed te lezen.

In de houding van de mens tegenover God zien we iets gelijkaardigs gebeuren. De anatomie van de gemiddelde mens, gecombineerd met een brein dat begiftigd is met een onvoorstelbare opslagcapaciteit, een buitengewone werksnelheid en voorzien van heel efficiënte basisprogramma’s, stelt hem in staat om zijn leefomgeving grotendeels naar zijn hand te zetten. Daarenboven woont hij op een planeet die ontzettend rijk is aan mineralen, grondstoffen, energiebronnen en een wijde waaier aan uiteenlopende interessante mogelijkheden. Hij leeft te midden van een duizelingwekkende diversiteit aan levensvormen en ook die kan hij ten dienste stellen van de bevrediging van zijn vele behoeften. Is dat geen unieke koninklijke positie? Waarom is er desondanks zoveel miserie op de wereld? Is het de schuld van de Maker en Schenker ervan?

De planeet waarop de mens woont heeft hij niet zelf ontworpen. Hij wordt erop geboren en hij kan vooralsnog niet kiezen voor een andere planeet. Totnogtoe is er, ondanks intensief onderzoek, nog geen andere gevonden die er minstens even aantrekkelijk uitziet, de vraag hoe en of zulk potentieel “Utopia” bereikbaar is nog buiten beschouwing latend. Maar heel wat mensen zijn niet tevreden met hun aardse woonplaats en andere aspecten van hun ondermaanse lot. Daar kunnen volgens hen maar twee conclusies uit getrokken worden: ofwel is God niet mensvriendelijk of goed, ofwel bestaat Hij gewoon niet.  De natuur confronteert ons immers met zoveel gevaren, het lichaam van velen vertoont nogal wat gebreken en als we niet door de natuur belaagd worden, dan zullen onze medemensen daar wel voor zorgen. Als God werkelijk zo goed is, waarom laat Hij al dat lijden dan toe? We kunnen die vraag ook anders stellen: waarom heeft Hij de mensen de oplossing voor hun problemen niet op een schoteltje meegegeven? Waarop we ons kunnen afvragen: heeft Hij dat in feite niet gedaan, alhoewel niet op een simplistische of sprookjesachtige wijze, maar met inachtneming van onze vrije wil?

Al wat ons ter beschikking staat kan op een of andere wijze nuttig zijn om een maximale en zelfs paradijselijke “levenskwaliteit” te bereiken (om een term te gebruiken waarmee de moderne mens graag schermt). Daartoe moet het wel op een verstandige wijze gebruikt worden en voor de juiste doeleinden. Dat betekent dus dat we de ongeschreven wetten moeten volgen die de Maker van dit alles in de natuur der dingen heeft gelegd en dat we er daarenboven voor moeten zorgen elkaar niet voor de voeten te lopen en leren samen te werken. De basisregels om dit proces optimaal te laten verlopen werden en worden ons aangereikt uit diverse bronnen.

Aan de jongeren gaf God de ouderen om hen met hun rijke ervaring te onderrichten. Van hun kant kunnen zij de ouderen bijstaan met hun verse krachten en met de inbreng van nieuwe creatieve ideeën. In dat primair proces van kennisoverdracht kan er al veel fout lopen. Een kenmerk van de hedendaagse maatschappelijke verdwazing is bv. de teloorgang van het respect voor de ouderen, zelfs voor de eigen ouders. Zulk gedrag is vierkant in tegenspraak met het vierde van de Tien Geboden die God via Mozes aan een ontspoorde mensheid schonk als zijn formele basisinstructies.

Dit is een eerste in het oog springende bron van veel miserie, waarvoor men zeker niet de schuld bij God moet leggen. Maar het is ook niet of niet alleen maar de schuld van “de hedendaagse jeugd”. De hoofdschuld voor wat er nu bij ons misloopt ligt bij degenen die de politiek correcte westerse denkpatronen ontwierpen, introduceerden of schoorvoetend toelieten. Daarin wordt eenzijdig geschermd met “rechten”, o.a. “de rechten van het kind”, in plaats van te spreken over “de rechten EN plichten van het kind EN van de ouders”. Binnen dat volledig scheefgetrokken ideologisch kader werd daarenboven het aanzien van het natuurlijke gezin als basiscel voor de samenleving systematisch uitgehold, ten voordele van “nieuwe gezinsvormen”. Onze overheden subsidiëren en promoten openbare stoeten waarin volwassenen in schunnige houdingen en aanstootgevende kledij hun zogenaamd “ontvoogde” (maar eigenlijk “ontspoorde”) seksualiteit etaleren, terwijl onze kinderen toekijken. Die zedenloze wansmakelijke glitter wordt goedgepraat onder het mom van “de strijd tegen de discriminatie van anders geaarden”. Niemand die zich blijkbaar nog vragen stelt over het verschil tussen “geaardheid” en “ontaarding”. Wanneer werd er voor het laatst in onze kerken gepreekt over het begrip “kuisheid” (6e en 9e gebod van God)?

Anderzijds worden in heel wat westerse landen de “Rechten van het Kind” volledig genegeerd ten voordele van de “kinderwens van holebi-koppels”. Over de “vader- en moederwens van het kind ” hoort of leest men in onze media haast nooit een woord. Is dat geen flagrante discriminatie van kinderen tegenover volwassenen? Welke “vader en moeder” het betrokken kind zou moeten “eren”, in navolging van het vierde gebod van God, blijft een levensgroot vraagteken. Het kind is gedoemd om zich neer te leggen bij een opgelegde onnatuurlijke toestand, die het heeft te danken aan een wetgevende overheid die de mond vol heeft over “moreel gezag”, maar meer en meer volledig het morele noorden kwijt is geraakt. Over de persoonlijke en maatschappelijke gevolgen op langere termijn van zulke ethische en sociale experimenten maakt men zich niet te veel zorgen. Als het slecht afloopt zal men de resulterende problemen wel aan God toeschrijven, of aan diens afwezigheid, of aan de karikatuur die de “eigentijdse mens” van het Opperwezen gemaakt heeft.

Een andere rijke bron van nuttige informatie die ter beschikking staat van de mensheid ligt in de natuur. Het plantenrijk heeft voor ongeveer alle ziekten zeer degelijke remedies. Natuurvolkeren, zoals de Amazone-indianen, hebben al menig geleerd botanicus verbluft doen staan met hun plantenkennis en de mogelijke geneeskundige toepassingen ervan. Het grootste deel van onze farmaceutische preparaten bevatten plantenextracten of zijn ervan afgeleid. Zonder afbreuk te doen aan de verdiensten van de klassieke geneeskunde, leert ons de ervaring dat talrijke aandoeningen worden verholpen door de natuurgeneeskunde, daar waar de klassieke aanpak faalt. Dit hebben we te danken aan de zorg en het geduld van begaafde mensen. Zo iemand was bv. de heilige Hildegard van Bingen, een lichtend kerkelijk voorbeeld voor de hedendaagse vrouw. Zij heeft ons een heel gamma voortreffelijke natuurlijke recepten achtergelaten. Zelfs tegen ziekten als malaria en reumatische aandoeningen, die doorgaans als ongeneeslijk worden beschouwd, zouden er volgens kenners efficiënte plantenextracten bestaan. Het plantenrijk bevat natuurlijk ook schadelijke en giftige gewassen. Maar ook hier weer biedt de natuur zelf ons een goede richtlijn: men kan ze identificeren door te letten op het gedrag van vogels en andere dieren, die deze planten instinctief vermijden.

Sommigen, zoals de hier al meer besproken professor emeritus Etienne Vermeersch, beweren dat God niet kan bestaan, gezien er veel onschuldig lijden is. Recent gaf hij in het Tv-programma Canvas – Reyers Laat hiervan een voorbeeld, met de bedoeling de euthanasiewetgeving te laten uitbreiden, zodat ook “neonati” (pasgeborenen) hiervan zouden kunnen “genieten”. Het ging over een kindje dat geboren was met een zeer zeldzame afwijking waardoor de huid gemakkelijk loskomt. Men kon dat kindje slechts wassen onder narcose. Iedereen is het er uiteraard over eens dat het voor de ouders van zulk kindje heel zwaar is om daarmee om te gaan. Geeft dit hen echter het recht om hun kind te doden? Volgens Vermeersch wel, want “de behandelende dokter (met toestemming van de ouders) heeft de verplichting om ervoor te zorgen dat het kind niet lijdt”. Als men dit soort redeneringen consequent zou doortrekken dan zouden binnen de kortste keren onze hospitalen leeg zijn en onze begraafplaatsen overvol. De vragen welk soort lijden het doden van iemand zou kunnen rechtvaardigen en of er geen andere methodes bestaan voor lijdensverzachting dan de fysieke eliminatie, worden hierbij zorgvuldig omzeild.

Door in te spelen op spontane emotionele reacties trachten mensen zoals Vermeersch niet alleen het gebod van God “Gij zult niet doden” te ondergraven. Hun bijkomende – of hoofdbedoeling is aan te tonen dat Hij niet bestaat, vermits Hij kinderen onschuldig laat lijden. Het is nochtans zeer opvallend dat men nooit hoort van dergelijke afwijkingen bij dieren die in Gods vrije natuur leven. Vooraleer men de schuld voor dat onschuldig lijden op de Schepper afwentelt zou men zich de vraag moeten stellen of het menselijk gedrag er soms niet de oorzaak van kan zijn. Het gaat in dergelijke gevallen immers duidelijk om genetisch bepaalde aandoeningen. Welke eerlijke dokter of onderzoeker zou durven beweren dat ons gedrag, inzonderheid op seksueel vlak, geen grote rol speelt in het ontstaan hiervan? Vanuit een objectief en zuiver wetenschappelijk standpunt kan men gemakkelijk verbanden aantonen tussen seksueel (en ander) ontaard gedrag en genetische afwijkingen, … als men tenminste niet verlamd is door de vrees voor politiek incorrecte uitspraken. Voor alle duidelijkheid: we hebben het hier niet over het gedrag van de rechtstreekse ouders. Genetische afwijkingen worden doorgegeven aan de opeenvolgende generaties, zonder dat men kan voorspellen wanneer zij tot uiting zullen komen. (Men kan hierin zelfs een verband zien met het christelijk begrip “erfzonde”).

We zouden nog lang kunnen uitweiden over wat een goed beheerde natuur ons allemaal kan bieden. De natuur kan niet alleen mild en weldadig zijn, maar ons eveneens wreed lijken. “Wreedheid” is echter een morele kwalificatie die slechts kan toegepast worden op zelfbewuste wezens en dus niet op dieren, planten of abstracties zoals “de natuur”. Het draaiboek van het schouwspel dat de natuur ons biedt wordt beheerst door wetten die vastgelegd werden door de Regisseur ervan, de Heer van Leven en Dood. De mens heeft de capaciteit om die te leren kennen, zodat hij er de voordelen van kan plukken en de nadelen vermijden, … als hij tenminste de spelregels aanvaardt en niet zelf voor God wil spelen, zoals Godontkenners de facto doen. Wie Gods natuurwetten en geboden leert kennen, aanvaarden en toepassen treedt toe tot het Leven, plukt er de vruchten van en geeft die door. Wie God negeert en de pretentie heeft zelf als goddelijke morele wetgever op te treden maakt deel uit van het Rijk van de zelfvernietiging en de Dood.

Het instructieboekje van de mensheid wordt nog via andere kanalen aangevuld. God spreekt de mensen ook rechtstreeks aan. Dikwijls gebeurt dit in een droom en de Bijbel geeft hiervan nogal wat voorbeelden. Tijdens onze slaap wordt ons verstand geheel of gedeeltelijk losgekoppeld van de directe dagdagelijkse beslommeringen en stelt onze geest zo goed mogelijk orde op zaken. In die toestand worden wij meer ontvankelijk voor bovennatuurlijke signalen of boodschappen. Het gebeurt zelfs dat mensen in hun dromen een toestand beleven die als “onaards” kan omschreven worden.  We spreken dan van “visioenen”. Sommige neurologen menen zelfs dat alle religies hieruit ontstaan zijn. Voor gelovigen zijn zij een belangrijk medium waarlangs God tussenbeide komt, ons onderricht, waarschuwt of zijn wil manifesteert.

De laatste bron die we hier willen aanhalen, waaruit de mens levenskennis en -inzicht kan putten, zijn de uitspraken van de profeten. Zij zijn de richtingaanwijzers die het verloop van de menselijke geschiedenis mee hebben bepaald. Dat gebeurt ook vandaag nog, want ook nu zijn er mensen geroepen om “profetisch” te zijn, dat wil zeggen de boodschappen te vertolken die zij kregen van God. Zij roepen ons op om ons niet te laten leiden door onze hoogmoed of dierlijke instincten, maar door de Wijsheid. De grootste onder hen waren o.a. Mozes, Elia en bovenal Johannes de Doper. Zij werden door God uitgekozen wegens hun uitzonderlijke gaven en hun volgehouden wil tot dienstbaarheid aan Hem en hun medemensen. Zij zijn als de sterren aan het firmament die ons de juiste levensrichting tonen en ons behoeden voor de vele valkuilen van de valse profeten, die als een moreel mijnenveld ons huidig maatschappelijk en religieus landschap onveilig maken.

Laten we God dus loven en danken voor de vooruitziende zorg waarmee Hij ons leven begeleidt en vergeving vragen voor allen die Hem negeren, beschuldigen, beledigen of tegenwerken.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s