België

Misbruik

09-01-2012

Als men zou nagaan welk woord anno 2011 het meest voorkwam in publieke verklaringen, dan zou het woord “misbruik” zeker een goede kans maken. Er bestaan immers heel wat vormen van misbruik en zelfs de term op zich wordt regelmatig misbruikt. Laten we hier even kritisch onze aandacht richten op een aantal van die vormen.

Seksueel misbruik van minderjarigen

In de eerste plaats zullen we het natuurlijk moeten hebben over wat wellicht het meest verfoeilijke is: het seksueel misbruik van minderjarigen. Het is een misdaad die zowel het slachtoffer diep onteert als de dader onherroepelijk schandvlekt.  Zij komt voor binnen gezagsrelaties in zeer diverse kringen. Het meest flagrant zijn de misbruiken die in een kerkelijke context plaatsvonden, aangezien zij lijnrecht in tegenspraak zijn met de christelijke moraliteit. Toch kan men zich ernstige vragen stellen bij het feit dat de aandacht voor deze plaag vanwege politiek en media zich vooral heeft toegespitst op voorvallen binnen kerkelijke instanties. Er wordt bijna geen moeite gedaan om tenminste de schijn van een neutrale opstelling hoog te houden. De Kerk werd en wordt tot in het absurde toe geviseerd, hetgeen culmineerde in enkele groteske evenementen, zoals het inbreken in de tombe van Kardinaal Mercier in de Mechelse kathedraal, op zoek naar “geheime documenten”. De betrokken onderzoeksrechter leek haast de hoofdrol te spelen in een vervolgfilm over de Da Vinci code.

Onze politieke elite zag haar kans schoon om haar lamentabel imago wat op te krikken ten koste van een Kerk die zich ten gevolge van grove beleidsfouten in het defensief zag gedrongen. Er werd een bijzondere parlementaire commissie opgericht “betreffende de behandeling van seksuele misbruiken en feiten van pedofilie binnen een gezagsrelatie, inzonderheid binnen de Kerk”. Die laatste toevoeging spreekt op zich al boekdelen over de graad van neutraliteit en objectiviteit die de onderzoekende commissie bezielde, goed wetende dat het grootste deel van de bekende misbruikgevallen niet binnen de Kerk gebeurden, maar in de maatschappij in het algemeen en binnen familieverbanden in het bijzonder. De parlementsbedienden gingen al dadelijk een stap verder door de afkorting “Commissie Kerk” voor te stellen, hetgeen niet werd aangenomen. Die afkorting zou nochtans de werkelijke aard van dit “onderzoek” goed hebben weergegeven. In de pers werd haast unaniem de term “Parlementaire Commissie seksueel misbruik in de Kerk” gehanteerd. Slechts weinige persmensen stelden zich hierbij de voor de hand liggende vraag waarom de misbruiken in familieverband, binnen jeugd- en sportclubs, niet-kerkelijke instellingen van de sectoren onderwijs en welzijnszorg, de medische wereld, … nauwelijks aan bod kwamen. Wat was de hoofdbedoeling van dit politiek optreden? Was het werkelijk de bekommernis over het welzijn van de misbruikslachtoffers? Het lijkt er eerder op dat de ware aanzet ervan het ongenoegen was van antiklerikale kringen met de status van de Kerk in onze samenleving. Nog voor de commissie haar eerste besluiten kon voorleggen, werd het vooropgesteld oordeel al doorgegeven en via de media verspreid. De Kerk had alle morele gezag verloren, zo luidde het, uiteraard ook uit de gezagvolle mond van de onvermijdelijke en boven alle verdenking van enige partijdigheid verheven professor emeritus Etienne Vermeersch.

Een kerkgemeenschap staat of valt uiteraard met het moreel gezag dat haar wordt toebedeeld. De reacties op persartikelen geven aan dat het gezag van onze Kerk voor velen op een dieptepunt is beland. De schuld hiervan eenzijdig ten laste leggen van pers en politiek zou niet eerlijk zijn. De Kerk moet zich wel degelijk op de borst kloppen voor haar lakse optreden tegenover pedofiele geestelijken en de ermee gepaard gaande overdreven geheimhouding. Maar dat neemt niet weg dat men kan spreken van een “misbruik van het misbruik”, in die zin dat velen het onderste uit de kan hebben gehaald om het imago van de ganse Kerk te besmeuren, op basis van de misdaden van een klein percentage van haar geestelijken (1). Ook binnen de Kerk zelf werd het misbruikdossier misbruikt om “het instituut Kerk in vraag te stellen”. Vooral het verplichte celibaat moest het ontgelden. Er werd zonder meer een rechtstreeks verband gelegd tussen die verplichting voor de clerus en de aan het licht gekomen misbruiken, negerend dat de meeste misbruiken in onze maatschappij door gehuwden begaan worden, zelfs door gehuwde ex-priesters (zoals blijkt uit het verslag van de commissie Adriaenssens). Daarenboven is zulke bewering een kaakslag voor alle celibatair levende personen. Dat er anderzijds bij het kerkelijk misbruik een sterk procentueel verband kan gelegd worden tussen homofilie en de schending van de eerbaarheid van minderjarigen, is een vaststelling die de would-be afbrekers van de kerkelijke structuren consequent negeren. Daar valt immers weinig progressiefs mee aan te vangen en daarenboven is het niet politiek correct met zulke “discriminerende” conclusies voor de dag te komen.

We staan hier voor een complex misdaadfenomeen dat onze maatschappij in haar geheel verziekt. De Kerk heeft als opdracht hiertegen krachtdadig te reageren. Waar dit in vorige eeuwen openlijk gebeurde, werd dit sinds het aantreden van Johannes XXIII in het geheim aangepakt. Bovendien werd er geen rekening gehouden met de veranderde verhoudingen tussen Kerk en Staat en werden de binnenkerkelijke zedenfeiten buiten de wereldlijke rechtsgang gehouden. Twee kapitale fouten dus die dateren uit de periode van het Tweede Vaticaans Concilie. Volgens de Nederlandse kerkhistoricus Peter Nissen (2) heeft de roep om seksuele bevrijding die vanaf die jaren steeds luider klonk in alle maatschappelijke geledingen en dus ook in de Kerk, niets te maken met de opstoot van kerkelijke pedofilieschandalen die recent aan het licht kwamen en die zich vooral in de tweede helft van de twintigste eeuw situeren. Ook die situering spreekt hij tegen, maar zonder dit te staven met enig concreet cijfermateriaal. Het is erg twijfelachtig of er überhaupt wel bruikbaar cijfermateriaal bestaat over feiten die om en rond een eeuw geleden zouden gebeurd zijn. Zelfs voor het recente verleden werkt men met schattingen over het werkelijk aantal misbruikgevallen.  P. Nissen beweert in ieder geval dat de toename van kindermisbruik in kerkelijke instellingen vooral te wijten is aan de opkomst van internaten, het vervangen van de kosters door misdienaars en het groeiend kerkelijk jeugdwerk, waardoor steeds meer kinderen in een situatie terecht kwamen die het misbruik vergemakkelijkte (3).

Dit alles dateert al van in de negentiende eeuw. Hij geeft klaarblijkelijk een speculatieve uitleg die een zekere grond van waarheid kan bevatten, maar die vooral bedoeld is om aan te tonen dat de “conservatieven” ongelijk hebben met hun stelling dat de seksuele revolutie de belangrijkste oorzaak was voor de stortvloed aan schandalen waarmee wij nu worden overspoeld. Om zijn redenering kracht bij te zetten komt hij aandraven met documenten die bewijzen dat seksueel misbruik in de Kerk voordien ook al bestond, alsof iemand ooit het tegendeel had beweerd. De spectaculaire verschuiving van heteroseksueel naar homoseksueel misbruik moet hij wel beamen, maar een bevredigende uitleg hiervoor vindt men niet in zijn betoog. Hij spreekt liever van de “ongeordende seksualiteit van priesters en religieuzen”, alsof er hierover een algemeen erkend onderzoek is ingesteld door seksuologen.

Peter Nissen baseert zijn stelling op de gedachte dat “de gelegenheid de dief maakt”. De meeste van zulke gezegden ontleend aan de “volkswijsheid” blijken echter in de praktijk niet goed te kloppen. Er zijn veel meer gelegenheden dan dieven en meestal is het omgekeerde de regel, namelijk: “de dief creëert de gelegenheid, zoekt ze of profiteert ervan”.  Als men de zaken realistisch bekijkt en niet van uit een vooringenomen progressieve invalshoek, dan zien we verschillende elementen die een invloed kunnen gehad hebben op de misbruikcijfers vanaf het midden van vorige eeuw. Ten eerste was er de al genoemde toenemende permissiviteit, ook tegenover vormen van seksualiteitsbelevenis die voorheen taboe waren. In het domein van de pedofilie was dit zonder meer opvallend. Etienne Vermeersch, het gezagvolle boegbeeld van de Vlaamse atheïstische filosofie, pleitte in die tijd openlijk voor het strafrechtelijk vrijuit gaan van sommige vormen van pedofilie; er werden verschillende pedofielenverenigingen opgericht; zelfs het parochieblad Kerk en Leven hield een pleidooi voor begrip voor pedofielen en hun gevoelens. De ommekeer kwam er ten tijde van het proces Dutroux. Ten tweede heerste in die periode nog de “zwijgcultuur” over gevallen van seks met kinderen, zowel van de kant van de betrokken ouders als die van de slachtoffers. Er werd trouwens in de gezinnen (waarvan er vele toen kinderrijk waren) over het algemeen zedig gezwegen over seksualiteit en zeker over pedofiele handelingen door een geestelijke. Ten derde werden in de eerste decennia na WO II, in katholieke kringen nog heel wat jongeren met zachte psychologische dwang naar het priesterschap geleid, zonder dat men zich echt bekommerde over het feit of zij de celibaatsverplichting wel aankonden.

In die maatschappelijke context was een klerikale carrière voor personen met homofiele of efebofiele neigingen een zeer aantrekkelijke mogelijkheid. Zij die deze ingeving volgden kwamen haast automatisch in gezagssituaties terecht waar de gelegenheden tot misbruik talrijk en verleidelijk waren. Het is onbegonnen werk om wetenschappelijk en statistisch vast te leggen in hoeverre zij als persoon of als groep die mogelijkheden doelbewust hebben opgezocht. Maar een waarheidlievend kerkhistoricus houdt niet alleen rekening met het aantal gelegenheden, maar ook met de ingesteldheid van de misbruikers van die gelegenheden en de invloed hierop van de maatschappelijke geplogenheden in de betrokken periode. Als men alles nuchter op een rijtje zet dan komt men tot de conclusie dat de onderliggende oorzaak van het hoge aantal kerkelijke misbruikgevallen in de tweede helft van vorige eeuw een combinatie is van verschillende factoren. Die zijn o.a.:  een hoog percentage van geestelijken met een homoseksuele ingesteldheid, een tijdperk van maatschappelijke evolutie waarin een toenemende seksuele permissiviteit gepaard ging met een instandhouding van de zwijgcultuur. Dit ging binnen de kerkelijke instanties hand in hand met enerzijds een verplichting tot geheimhouding en anderzijds een laks optreden. Het grote aantal mogelijkheden tot misbruik, te wijten aan het enorme succes van de kerkelijke opvoedkundige instellingen kwam daar bovenop. Van al deze factoren is degene die tezelfdertijd kenmerkend is voor dat tijdvak en de meest voor de hand liggende directe oorzaak, ongetwijfeld de sterk toegenomen seksuele permissiviteit.

Geheimhouding is niet iets dat a priori verkeerd is. Als het over kerkelijk misbruik gaat dan wordt dit steevast aldus voorgesteld, maar als het over pedofiliegevallen gaat in andere sectoren, dan spreekt men al vlug van “discretie” en “deontologische zwijgplicht”. Dan gelden de onaantastbare rechten van verdachten, beschuldigden en zelfs van schuldigen. Als het over geestelijken gaat en meer in het bijzonder over katholieke priesters, dan wordt daar opeens geen rekening meer mee gehouden en verwordt elk vermoeden van schuld tot een hele mediashow. Dat beleefden we recent nog met de “affaire Vangheluwe”. In krantentitels werd de voormalige bisschop van Brugge zonder meer ervan beschuldigd dat hij buiten zijn neef nog ettelijke andere kinderen uit een weeshuis zou hebben misbruikt. Uit de onderstaande tekst bleek dan dat het enkel over vermoedens ging en dat er nog geen enkel bewijs hiervoor was. Een gevallen bisschop heeft blijkbaar alle recht verloren op een eerlijke berichtgeving en kan niet duivels genoeg worden afgeschilderd: misbruik van het misbruik ten behoeve van perverse sensatiezucht, kerkvijandigheid en krantenoplagen. Bah!

Misbruik van politiek en theologisch gezag

Misbruik van kinderen gaat meestal gepaard met het misbruik van gezagsposities. Dit laatste gebeurt ook op andere terreinen, zoals politieke en financiële. Enkele voorbeelden zijn: het cumuleren van verschillende hoge en winstgevende posities, het opstrijken van onverdiende premies, het uitbuiten van het bankgeheim, het werken met onderbetaalde illegale arbeiders, … Er is natuurlijk nog veel meer dat men kan misbruiken, o.a. ook woorden en benamingen. Men tracht dan iets te bewijzen of aan te tonen via een betoog waarin men de courante betekenis van termen naar zijn hand zet. Op religieus gebied was tot in recente tijden redelijk duidelijk wat de gelovige visie is van mensen die zich, onder een algemeen aanvaarde benaming, tot een bepaalde confessie bekenden. Specialisten in de geloofsverwarring hebben er echter voor gezorgd – geholpen door het verwaterd discours en het kortzichtig beleid van sommige kerkleiders – dat slechts een minderheid van de katholieke gelovigen nog een duidelijk en coherent beeld heeft behouden van hun geloofsleer.

Al wat hiervan niet in het kraam past van de modernistische theologie wordt in de schoenen geschoven van “het instituut Kerk” en wat er wel in past wordt toegedicht aan “de basis” of “het middenveld”. Zij die geacht zijn daartoe te behoren worden voorgesteld als de echte katholieken, gelovend in de leerstellingen die hen vanuit theologische kringen worden aangereikt en waarvan er nogal wat volledig haaks staan op de officiële leer van de Rooms-katholieke Kerk. Men kan deze werkwijze van de modernisten vergelijken met die van een firma die onder een bekende merknaam producten verkoopt die van een heel andere aard en kwaliteit zijn als het oorspronkelijke product. Dit misbruik van de benaming “katholiek”, gebeurt met de schuldige medewerking van sommige bisschoppen en met de medeplichtige zwijgzaamheid van sommige anderen. Maar dat stuk kerkgeschiedenis moet nog geschreven worden…

Misbruik van de media

Een laatste vorm van misbruik dat we hier onder even onder de aandacht willen brengen is het misbruik van het vermogen tot opinievorming. Peter Nissen vindt het blijkbaar een positieve ontwikkeling dat dit vermogen verschoven werd van religieuze instellingen naar de media. Die zouden voor een deel de morele rol van de Kerk hebben overgenomen en haar dwingen om verantwoording af te leggen, iets wat de Kerk nooit gewild zou hebben. Dat laatste bevat veel waarheid (niet de gehele), maar de bewering van deze kerkhistoricus dat de media zijn gaan functioneren als “het sociale geweten en de morele waakhond van de samenleving” is sterk bij het haar gegrepen. Er zijn waarschijnlijk weinig of geen media die zich niet regelmatig bezondigen aan eenzijdigheid, sensatiezucht, krantenvullende prietpraat, ongecontroleerde berichtgeving, lippendienst aan bepaalde groeperingen of belangen, reclame voor allesbehalve “morele” activiteiten en nog veel meer niet zo fraaie praktijken. Een kerkhistoricus die zijn kritiek niet spaart op een Kerk die in de loop van vele eeuwen een belangrijke actieve rol heeft vervuld in de geschiedenis, maar kritiekloos instanties (die overwegend niets anders doen dan commentaar leveren op de activiteiten van anderen) tot “morele waakhonden” verheft, zou m.i. best wat kritiek kunnen gebruiken op zijn progressieve eenzijdigheid.  

Tot zover deze uiteenzetting over de term “misbruik”. We kunnen hier uiteraard niet alle vormen van misbruik behandelen. Het was de bedoeling om voor onze lezers dit actueel onderwerp op kerkelijk vlak in een breed en objectief perspectief te plaatsen. Hopelijk hebben wij hun tijd niet “misbruikt”. Alle goed gemeende reacties zijn, zoals steeds, welkom.

(1) De gepubliceerde percentages zijn niet altijd eenduidig, maar tonen over het algemeen geen significante verschillen aan in misbruik tussen verschillende geloofsgemeenschappen, tussen kerkelijke en wereldlijke instellingen, enz. Uit de gepubliceerde rapporten blijkt wel een ernstige toename vanaf de jaren 50 tot 80 van de vorige eeuw. Dit komt overeen met de beginperiode van de “seksuele revolutie” en met de eerste onthullingen van grootschalige misbruikschandalen en de reacties hierop.

(2)http://www.peternissen.nl/lezingen/lezinge-in-2009/150-een-stroom-van-verhalen-over-seksueel-misbruik

(3) Een meer evenwichtige en objectieve beschrijving van het misbruik in kerkelijke context vindt men op: https://nl.wikipedia.org/wiki/Seksueel_misbruik_binnen_de_Rooms-Katholieke_Kerk

Één reactie op “België”

Als het er op aankomt mee te zijn met de tijd, homoseks en homoseksuele relaties goed te keuren, laat het Belgisch episcopaat van zich horen, vooral bij monde van bisschop Bonny. Dit terwijl hun kerken verder leeglopen, en ze de Schrift, de paus en een hoge Vaticaanse Commissie negeren of tegenspreken.

Maar als het er op aankomt de gelovigen en tenslotte alle mensen op te roepen tot een leven waarin God een belangrijke plaats inneemt, tot een leven waarin de zondagse Eucharistie een must is, dan zijn ze niet thuis en hoor je ze niet.

De mode van de dag volgen, inclusief allerlei aberraties, is altijd gemakkelijker dan de authentieke christelijke boodschap concreet verspreiden.

Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s