Pleidooi voor een realistisch geloof

20-07-2012

Wie is Jezus Christus?

Als er één vraag is in het evangelie die steeds actueel bleef, dan is het zeker de vraag van Christus: “Wie denken de mensen dat ik ben?”. Toen zij aan de apostelen zelf gesteld werd antwoordde Petrus (Matt. 16:16): “Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God”. Deze spontane uitspraak was een uitzonderlijke en beslissende geloofsdaad, die volgens Jezus’ eigen woorden rechtstreeks geïnspireerd werd door God. Het was het sleutelelement dat Hem toeliet om aan Petrus en zijn opvolgers zijn Kerk toe te vertrouwen, in de zekerheid dat zij nimmer zou vergaan.

Mochten wij diezelfde vraag stellen aan hedendaagse gelovigen of theologen, dan zouden we, zoals in Jezus’ tijd, heel diverse antwoorden krijgen. Hiervan zou een groot percentage absoluut niet in overeenstemming zijn met de aangehaalde woorden van de eerste paus en daaronder vallen ook veel antwoorden van mensen die zich “katholiek” wanen en/of noemen. Voor velen is Christus een goeroe die de mensen opbeurde, genas en moreel onderrichtte, maar zeker geen Zoon van God. Onder invloed van modernistische theorieën die zich als wetenschappelijk presenteren, zijn zij overgeschakeld op een geloof dat zij als “realistisch” beschouwen. Maar is dat geen vervalste geloofsvorm gebaseerd op een imaginair realisme, of eerder nog een intellectueel kaartenhuisje opgebouwd uit dubieuze theologische hypothesen?

Een typisch staaltje van zulk vernieuwend pseudogeloof werd recent gepubliceerd in het christelijk opinieblad Tertio. Het is van de hand van Mark Eyskens, professor emeritus economie, ex-eerste minister en medeondertekenaar van de Belgische abortuswet (of beter -onwet). Welke naam hij aan zijn huidige persoonlijke overtuiging geeft is niet duidelijk, maar hij en zijn beroemde overleden vader werden altijd beschouwd als behorende tot de katholieke zuil. Niettemin kan wat hij schrijft zonder meer als formele ketterij worden gecatalogeerd. (Hierover hebben we het uitgebreid in onze rubriek “actualiteit en standpunten”).

Wat zei Christus over zichzelf?

Om het juiste antwoord te vinden op bovenstaande primordiale vraag van Jezus, moeten we geen ingewikkelde of geleerde theorieën bestuderen, maar in de eerste plaats luisteren naar wat Christus over zichzelf heeft gezegd. Enkel als wij diens woorden in geloof aanvaarden kunnen wij met recht en rede onszelf beschouwen als christelijke of katholieke gelovigen, want dan vestigen wij ons gelovig standpunt op een vaste concrete en objectieve basis. Deze voorwaarde heeft niets te maken met fundamentalisme, maar alles met waarheidsgetrouwheid, inhoudelijk realisme en coherentie. Laten we dus in de eerste plaats nagaan hoe Christus zichzelf omschrijft in de evangelische teksten, vooraleer we ons laten inpalmen door allerlei theologische interpretaties, overgenomen en verspreid door schrijvers of predikers die openstaan voor al wat zich als vernieuwend of zogenaamd realistisch aandient op de opinierommelmarkt.

“Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven” zei Christus. Volgens Stev Van Thielen, een gelovig televisiemaker aan wiens opvattingen Tertio (van 21 maart 2012) twee volledige pagina’s spendeerde, heeft hij niet gezegd “de Aankomst” te zijn. Met zijn betoog geeft hij aan dat hij wel in Christus wil geloven, maar vanuit een zo comfortabel mogelijke twijfelpositie. Christus wordt in die optiek gezien als een goed voorbeeld dat ons inspireert, maar voor de rest bepalen we ons leven en onze opvattingen grotendeels zelf en zullen we wel zien waar we uitkomen. Dit is een karakteristieke houding van vele moderne christenen. Zij schijnen niet te beseffen dat hun inzichten voor een groot deel niet meer evangelisch of christelijk zijn, maar geënt op het modernisme (veroordeeld door verschillende pausen als nieuwe vormen van oude ketterijen).  Zij verkeren in de waan dat zij een “breed” geloofsinzicht hebben. Hun visie is echter niet “verbreed” maar “verwaterd” en hun Christusbeeld is niet gegroeid maar verkleind. Nochtans is Stev, volgens zijn eigen verklaring een regelmatige kerkganger. Dit zegt veel over de inhoudelijke kwaliteit van heel wat hedendaagse kanselredes. Spijtig dat de redacteurs van Tertio met zulke artikelen een verwaterd geloof helpen verspreiden, zonder er een degelijke katholieke situering tegenover te plaatsen.

Niet alleen de weg, maar ook de aankomst

Voor een christen is de Waarheid geen breed rekbaar en manipuleerbaar goed en is Christus wel degelijk niet alleen de Weg, maar ook de Aankomst. Hij heeft voor zijn trouwe volgelingen een plaats bereid in het huis van zijn Vader en wacht hen daar op, om hen met open armen te ontvangen (Joh. 14:2). De Weg zal dan ten einde zijn, de Waarheid zal dan volledig onthuld worden en het Leven zal er voor eeuwig zijn: dat zijn wezenlijke elementen van een authentiek christelijk geloof. Daar ligt het zwaartepunt van de hoop en de verwachting van de ware leerlingen van Christus. Om daar aan te komen moeten zij de Weg hebben gevolgd die Christus ons getoond heeft. Hun aardse realisaties zullen achterblijven en opgaan in het rookgordijn der geschiedenis. Wat wezenlijk telt in het christendom is de gelovige zekerheid dat Christus ons opwacht in het eeuwig paradijs. Aardse verwachtingen passen in de tijd- en plaatsgebonden speculatieve mooipraterij over een wereldverbetering, waarvan er in de praktijk niets te merken valt en waarvan een realistisch mens goed beseft dat die er nooit definitief kan en zal zijn.

Geen zoeterige Christus

Christus heeft nooit een verbeterende wereld voorspelt. Hij leerde ons “iedere dag heeft genoeg aan zijn eigen leed” (Mat. 6:34). Zijn voorspellingen over het einde der tijden zijn realistisch en beangstigend. Maar de goegemeente moet gevrijwaard blijven van negatieve toekomstbeelden en daarom worden in heel wat kerken en christelijke gemeentes de woorden van Christus aan een modernistische “herinterpretatie” onderworpen. De eigentijdse predikers lachen met de zoeterige beelden van Christus die vroeger heel wat huiskamers sierden, maar de opgepoetste Christusfiguur die zij zelf aan de gelovigen presenteren is dikwijls nog veel verder verwijderd van de werkelijke historische Christus. Hij wordt voorgesteld als een zachte man die liefdevol met zondaars omging en het kwaad verschoonde. Christus heeft echter nooit een enkele zonde verschoond, maar Hij vergaf die als Hij zag dat er oprecht berouw was. Uit het zoeterige wereldverbeterend discours dat de kerkgangers in slaap sust wordt zoveel mogelijk geweerd dat Hij ons herhaaldelijk in heldere bewoordingen heeft gewaarschuwd voor de hel en voor de werking van de duivel (lees bvb. in Luk. 16:19-31 de parabel over Lazarus en de rijke man, of raadpleeg Mat. 11: 20-25). De preek moet prettig klinken en niet te moraliserend zijn. Hij mag vooral de zondagse gemoedsrust van de parochianen niet verstoren.

Hij zal oordelen over ons

Christus was wel degelijk zachtaardig en vredevol, maar dat is slechts één aspect van zijn optreden, dat het wezen van zijn Vader reflecteerde. Hij toonde ons met zijn mirakelen o.m. diens Almacht, waarmee God wel degelijk rechtstreeks ingrijpt in zijn schepping als Hij dit nodig acht. Een ander aspect dat grotendeels verdonkeremaand wordt is dat de Zoon van God zal oordelen en straffen. Dit goddelijk strafbeleid kan in moderne westerse ogen, gewend aan een permissieve rechtspraak waarin de rechten van misdadigers soms beter beschermd zijn dan die van de slachtoffers, meedogenloos lijken. De hel is immers een oord waaruit geen terugkeer meer mogelijk is. Gods oordeel lijkt zodanig huiveringwekkend dat heel wat gelovigen (zelfs behorend tot de meest geëngageerde) twijfelen aan het bestaan van de hel, of menen dat er niemand in dat duivels oord zal terecht komen (behalve eventueel enkele personages wier grootschalige misdaden door de menselijke geschiedschrijving als “onvergeeflijk” worden beschouwd).

Christus leerde ons dat alle misdaden, hoe verschrikkelijk ook, door God vergeven kunnen worden als er oprecht berouw en inkeer is. Maar wie geen berouw toont, zal definitief afgescheiden worden van de gemeenschap der rechtvaardigen en bekeerden. Dit betekent dat de toegang tot de hemel hen voor eeuwig zal ontzegd worden. Dit goddelijk oordeel lijkt op het eerste zicht wreed en verschrikkelijk, maar als we er dieper op ingaan is het een uiting van rechtvaardigheid en zelfs van liefde. De hemel is de tijdloze woonplaats van hen die in het tijdelijke deze beloning hebben verdiend of wier zonden door Gods barmhartigheid zijn vergeven. In die woonplaats heerst vrede, geluk en samenhorigheid. Die toestand zal nooit meer verstoord worden door wezens die beladen zijn gebleven met kwaad en haat tot aan hun aardse einde. Die zullen geconfronteerd worden met de gevolgen van hun vrije keuzes en gedoemd zijn om de hel te ondergaan van een woonplaats gevuld met kwaadaardige zielsverwanten. De afgrond tussen beide eeuwigdurende woonplaatsen is onoverbrugbaar, zo leert ons de parabel van Lazarus. Deze geestelijke kloof is het logische en automatische gevolg van onverenigbare vrije wilkeuzes en moet op de keper beschouwd niet speciaal door God worden gecreëerd. Hij laat binnen in zijn paradijs wie zich heeft gezuiverd en door Hem waardig wordt geacht. Daarbuiten zal er “geween en tandengeknars zijn” (Mat. 13:42).

Waarom noemde Hij zich de Mensenzoon?

Het is onbegonnen werk om in een artikel verder uit te weiden over de vele facetten van de historische Jezus van Nazareth. Hij noemde zichzelf de “Mensenzoon”, een benaming die de aandacht trekt. Alle mannelijke mensen zijn immers “mensenzonen”. Wil Jezus daarmee zeggen dat hij slechts een gewoon mens is? Uit zijn prediking blijkt nochtans dat Hij volledig bewust was van zijn unieke positie in de geschiedenis van de mensheid. Het is dus aannemelijk dat Hij door deze benaming systematisch te gebruiken zijn toehoorders wilde leren dat er aan het feit dat Hij een mensenkind is, iets bijzonders is. Hij liet het echter aan hen over om dat exceptionele stilaan te ontdekken. Had Hij zich van bij het begin van zijn openbare prediking als Gods Zoon onthuld, dan zou Hij hoogstwaarschijnlijk al te vlug ter dood zijn gebracht in het fanatiek joods milieu waarin Hij het evangelie verkondigde. Op die manier vereenzelvigde Hij zich wel, op een minder opvallende wijze, met de “Mensenzoon” waarvan sprake in het Bijbelboek Daniël (7:13-14). Daarin zegt de profeet: “En zie, met de wolken des hemels kwam iemand als een Mensenzoon … Hem werd de macht gegeven, met heerlijkheid en koningschap…”.

Zijn identificatie als Gods Zoon

Zijn uiteindelijke veroordeling tot de Kruisdood zal tenslotte het gevolg zijn van het feit dat Hij zijn vereenzelviging met de Mensenzoon waarover Daniël het had, definitief bevestigde tegenover het Joodse Sanhedrin. Hij “identificeerde” zich daar in één zin officieel als Zoon van God en als de Bijbelse Mensenzoon, die voor vele Joden tevens de langverwachte Messias was. Dit gebeurde in gehoorzaamheid aan zijn hemelse Vader, goed wetend dat hiermee zij aardse lot bezegeld was.

De taak van de christenen – ook de hedendaagse – is het om die identificatie te blijven verkondigen aan al wie eerlijk zoekt naar de waarheid en de zin van het leven. Onduidelijkheid en waterachtigheid zijn daartoe niet de geschikte middelen. Christus heeft zijn identiteit bijna tweeduizend jaar geleden definitief aan de mensheid geopenbaard en is als gevolg daarvan en om ons te verlossen de kruisdood gestorven. Zelf zullen we ons aardse leven niet redden met vage twijfelpraat, maar we kunnen wel onze hemelse toekomst verdienen door een klaar en realistisch getuigenis.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s