Rome

Het graf van de H. Petrus

27-03-2014

Waarom is Rome een belangrijke plaats voor het katholicisme? Daar zijn twee geschiedkundige redenen voor. Het was de hoofdplaats van het Romeinse Rijk ten tijde van Jezus en de eerste christenen. De H. Petrus, die door Jezus “Kefas” of de “rots” genoemd werd waarop Hij zijn Kerk zou bouwen, stierf daar de marteldood. De derde reden is gewoon omdat het meestal de administratieve hoofdplaats van de katholieke Kerk is geweest en nu ook nog is.

Dit betekent natuurlijk niet dat Rome een betere of heiligere plaats is dan gelijk welke andere. Het godsdienstig belang van Rome ligt vooral in het feit dat deze stad symbool staat voor de aanvang en de continuïteit van de Kerk van Christus. Daar immers werd volgens de traditie de H. Petrus doodgemarteld en begraven. De opvolging van het hoofd van de Kerk, de paus, gaat terug tot hem die wordt erkend als de voornaamste woordvoerder van de apostelen. Dit wordt ondersteund, zowel door de oudste christelijke geschriften, als door de archeologie. Voor de eerste maal mochten zijn stoffelijke resten, dankzij de toelating van Paus Franciscus, tentoongesteld worden op het Sint Pietersplein, tijdens de afsluiting van het jaar van het Geloof op zondag 24-11-2013.

Op de Vlaamse zender Radio 1 werd dit nieuws de dag ervoor bekend gemaakt en, naar gevestigde gewoonte, vergezeld van wat sceptische commentaar. Daarvoor werd beroep gedaan op iemand die “het kan weten” (of zou moeten weten). Het was Hans Geybels, de vroegere woordvoerder van Kardinaal Godfried Danneels, die de luisteraars dienaangaande mocht wijzer maken. Hij is iemand die constant schijnt te laveren tussen progressief en conservatief, maar zich naar eigen zeggen liefst situeert in het veilige centrum. Wij zullen deze theoloog en historicus, die zich vooral toelegt op de studie van religieuze volkscultuur, zeker niet beschuldigen van wetenschappelijk niet onderlegd te zijn op het gebied van kerkelijke geschiedkunde. Toch kwam hij voor de dag met beweringen die op zijn minst zeer aanvechtbaar zijn.

Volgens hem kende de Kerk pas vanaf de 4e eeuw een paus en zou het historisch vaststaan dat Petrus nooit in Rome is geweest. Hij beweerde ook dat de resten die onder het altaar van de Sint Pietersbasiliek rusten en daar vereerd worden, “waarschijnlijk niet van de H. Petrus zijn”. Deze verklaringen stellen de tentoonstelling van deze relieken in een ridicuul daglicht. We hebben er het raden naar waarop hij zijn standpunten baseert, maar het lijkt erop dat zij afkomstig zijn van de modernistische of protestantse litteratuur, die in Leuvense theologische kringen blijkbaar hoog gewaardeerd wordt. Feiten die in de richting wijzen van een historische rechtvaardiging van het pausdom, worden daarin zoveel mogelijk verdoezeld (alhoewel er ook positieve uitzonderingen zijn, zoals het redelijk objectief volumineus boek over de pausen van de Britse agnostische protestant John Julius Norwich).

Voor de juiste toedracht zullen we de betrokkene zelf aan de tand moeten voelen. Hij vermeldde namelijk geen enkele bron voor zijn stellige verklaringen. Dit doet twijfels rijzen, zowel over zijn wetenschappelijke objectiviteit als over zijn aanhankelijkheid aan de Kerk, waartoe hij behoort en waarin de historische figuur en positie van Petrus steeds een sleutelrol hebben gespeeld. Zijn radioretoriek kan ook vooral bedoeld zijn om aan te tonen hoe “openstaand”, “kritisch” of “progressief” hij is. Hij zou zeker niet de eerste of de enige zijn die zich hieraan bezondigd. Maar we geven hem het voordeel van de twijfel en nodigen Hans Geybels bij deze uit zijn stellingen hier op dit forum historisch te onderbouwen en ze te confronteren met de hiernavolgende goed gedocumenteerde feiten.

Een eerste bedenking is dat de oorspronkelijke basiliek die de naam van Petrus draagt, door de opdrachtgever, Keizer Constantijn, werd gebouwd op een plaats die daarvoor absoluut niet geschikt was. Zij maakte deel uit van de Vaticaanheuvel die gedeeltelijk als begraafplaats werd gebruikt. Een groot aantal andere graven en mausolea moesten bijgevolg geschonden en vernield worden, de heuvel moest worden afgevlakt en een van zijn flanken moest worden opgevuld binnen enorme steunmuren. Een gigantische en controversiële karwei die op het eerste gezicht volledig overbodig was, vermits er een heel geschikt terrein vlakbij was gelegen. De enige reden hiervoor was dat het altaar van de basiliek zich pal boven het graf moest bevinden, waar volgens de overlevering Petrus werd begraven. 1700 jaar na deze feiten beweren sommige historici dat zij beter over de geschiedenis van Petrus en zijn mogelijke begraafplaats geïnformeerd zijn dan de toenmalige machtigste man, de eerste keizer van het nog jonge christendom.

De beslissing van keizer Constantijn om de Basiliek van de H. Petrus in Rome te plaatsen was zeker niet te wijten aan het grote belang dat hij aan deze stad hechtte. Hij verplaatste immers zijn hoofdstad naar de oevers van de Bosporus. Hij was ongetwijfeld een nuchtere persoonlijkheid die wel een voorkeur had voor het christendom, maar ook de andere godsdiensten hun plaats gunde. Als er in zijn tijd ook maar enige twijfel zou bestaan hebben over het verband van de Kerk van Rome met Petrus, dan zou hij logischerwijze de hoofdkerken van het christendom in zijn nieuwe hoofdstad Byzantium (later Constantinopel en nadien Istanboel) hebben gebouwd. Zijn beslissingen impliceren dat hij overtuigd was dat Petrus in Rome geleefd had en daar gestorven en begraven was.

Het primaatschap van Petrus werd overgedragen op zijn opvolger, als leider van de Kerkgemeenschap (later bisdom) waartoe hij behoorde bij zijn dood. Die redenering was in de toenmalige context zeker niet onlogisch. Nadien werden de twisten over het primaatschap beslecht door de zaken om te keren: de verkozen leider van de Kerk werd automatisch Bisschop van Rome. De leiders van de verschillende christelijke Kerkgemeenschappen werden in de christelijke beginperiode “pappas” (vadertje) genoemd. Pas vanaf het einde van de 4e eeuw werd die benaming vooral gebruikt voor de voornaamste Kerkleider. Het woord “paus” is daarvan afgeleid. Voor wat deze minder belangrijke naamvorming van de paus betreft heeft Hans Gebels dus gelijk, maar niet over het feit dat er voorheen “geen paus” was. Er was uiteraard wel discussie over het leiderschap en de draagwijdte ervan, te beslechten onenigheden die van alle tijden, plaatsen en gezindten zijn.

Al in het midden van de tweede eeuw werd een “aedicula”, een soort kapelletje, gebouwd boven het graf van de vereerde apostel Petrus op de Vaticaanheuvel. Met zekerheid kan gesteld worden dat in die tijd, toen er waarschijnlijk nog kleinkinderen leefden van mensen die Petrus en Paulus persoonlijk gekend hebben, de overlevering bestond dat beiden ten tijde van Nero de marteldood waren gestorven. Van Petrus nam men aan dat hij de kruisdood stierf in het Circus van Caligula, dat vlak bij de Vaticaanse begraafplaats lag. Er is niets geweten over een graf van de H. Petrus dat zich elders in het Romeinse rijk zou bevonden hebben. Rond het jaar 200 schreef de Romeinse priester Gaius: “Als je naar het Vaticaan gaat of naar de weg naar Ostia, dan vind je daar de eretekenen van hen die deze Kerk hebben gesticht”. Het ereteken op het Vaticaan kan enkel met de voornoemde aedicula worden geassocieerd. Dat op de weg naar Ostia verwijst dan naar de plaats van de huidige Basiliek van Sint Paulus buiten de muren, die eveneens op last van Constantijn werd gebouwd en gelijktijdig met de St Pietersbasiliek werd ingewijd op 18 november 324.

Wat de gevonden beenderen betreft is het uiteraard zeer moeilijk om te bewijzen dat zij van de H. Petrus afkomstig zijn. Maar toch zijn er heel wat aanwijzingen die deze hypothese ondersteunen. De beenderfragmenten, die oorspronkelijk behoorden tot een bijna volledig menselijk skelet, waren omwikkeld met een purperen stof waarin gouddraad was verweven en waarvan men de sporen terugvond. Daaruit kan men besluiten dat zij de resten zijn van een hooggeëerd iemand. Zij zijn afkomstig van een forsgebouwde man tussen zestig en zeventig jaar oud, hetgeen overeenkomt met de ouderdom die men aan de H. Petrus kan toeschrijven bij zijn overlijden (rond 64 n.C.) In de groeven van de beenderstukken werd aarde gevonden waarvan de tekstuur overeenstemt met de grond onder de aedicula. Het is dus waarschijnlijk dat de dode daar oorspronkelijk rechtstreeks in de grond werd begraven, op de meest armoedige wijze, zoals te verwachten is na een terechtstelling. In die ondergrond bevonden zich ook nog dierenbeenderen die zich mengden met de later opgegraven resten van de H. Petrus en anderen.

Op zeker ogenblik heeft men de beenderen van de heilige opgegraven en nadien (samen met andere uit zijn onmiddellijke omgeving?) opgeborgen in een afgesloten holte (“loculus”) van een “graffitimuur”. Deze was achteraf langs de rechterkant van dit monumentje gebouwd, ter ondersteuning van de “rode muur” die voordien al aan de achterkant was aangelegd. Vermoedelijk werden de beenderresten van Petrus bij deze operatie omwikkeld met de purperen stof. De holte bleef afgesloten tot aan de opgravingen (van 1940 tot 1949 ten tijde van Paus Pius XII) onder het hoofdaltaar van de St Pietersbasiliek. Op een stuk pleister aan de binnenkant van deze “loculus” bevond zich de Griekse graffito “Petr(..) eni”, die vertaald wordt als “Petr(us) is hierbinnen”. De muur is aan de buitenkant bedekt met andere graffiti die duidelijk van christelijke aard zijn. Daarenboven vond de Vaticaanse archeologe Margherita Guarducci op een twintigtal meter afstand daarvandaan, een inscriptie op het mausoleum van de Valerii. Deze luidde: « Petrus, bid voor de heilige christenen begraven dicht bij uw lichaam ». Als laatste verzoek aan een afgestorvene die volgens Hans Geybels e.a. zelfs nooit in Rome was geweest, is dit een geografische misrekening waarvoor enkel theologen van hun kaliber in staat zijn een verklaring te verzinnen. Gevonden votiefmunten op deze opgegraven necropolis, sommige uit de eerste eeuw, bevestigen het vermoeden dat de aedicula van Petrus een drukbezochte gedenkplaats was.

De graffitimuur met de opening van de “loculus”

Zeer opvallend is dat de dikke graffitimuur die zich aan de rechterzijde bevond, behouden werd toen keizer Constantijn boven de aedicula (ook “tropaion” genoemd) zijn basiliek bouwde. Als gevolg daarvan bleef in de as van de basiliek, pal onder het hoofdaltaar ervan, een asymmetrisch grafmonumentje bewaard. Dit is een bijkomende aanduiding dat deze muur van groot belang werd geacht. De voor de hand liggende verklaring is dat in die tijd door de christenen werd aangenomen dat hij de resten van de H. Petrus bevatte. Daarenboven, waarom zou men in een steunmuur een “loculus” gemaakt hebben? De vondst van de beenderfragmenten met de resten van een purperen stof is in logische overeenstemming met deze verklaring, evenals het feit dat men kan aantonen dat dit gedeelte van deze algemeen gebruikte begraafplaats vooral of uitsluitend door christenen werd gebruikt (zo dicht mogelijk bij hun vereerde heilige).

Wanneer juist de stoffelijke resten van de H. Petrus in de loculus werden geplaatst is niet duidelijk. Het kan gebeurd zijn nadat zij, tijdens de vervolgingen onder keizer Valerianus, eerst waren overgebracht naar een catacombe aan de Via Appia (rond 258). Het zou kunnen dat bij deze laatste gelegenheid men de relieken in twee delen heeft gescheiden en dat later een deel werd overgebracht naar de Basiliek van Sint Jan van Lateranen (gebouwd in 313, dus voor de bouw van de St Pietersbasiliek), waar ze nu nog altijd worden bewaard. Als men zou kunnen aantonen dat deze relieken passen bij die van de Sint Pietersbasiliek, dan zou de waarschijnlijkheid groter worden dat zij wel degelijk van de H. Petrus afkomstig zijn.

We moeten erkennen dat er op het verloop van de opgravingen onder Pius XII nogal wat aan te merken valt. Dat is het geval bij veel opgravingen waaruit eventueel religieuze of politieke conclusies kunnen getrokken worden. Maar als besluit kunnen we bevestigen dat de H. Petrus al van in het vroegste christendom in Rome werd vereerd en dat met grote zekerheid mag aangenomen worden dat zijn oorspronkelijk graf zich wel degelijk onder de Sint Pieters Basiliek bevindt. Met een hoge zekerheidsgraad bewijzen dat de gevonden beenderen van hem zijn is echter zo goed als onmogelijk, vermits men over geen wetenschappelijke identificatiemiddelen beschikt, zoals bvb. zijn DNA. Een C14 datering zou niet veel opleveren, want de vindplaats is op zich al archeologisch gedateerd. Maar de juiste plaats van zijn beenderen heeft in feite minder belang dan die van zijn begraafplaats. Had hij nooit voet aan wal gezet op Italiaans grondgebied, dan zou hij zeker niet in Rome begraven zijn geweest.

Behalve de archeologische aanwijzingen en de overlevering, bestaat er tenslotte ook nog een historisch document waaruit men kan afleiden dat de H. Petrus op zeker ogenblik in Rome verbleef. Dit is zijn eigen eerste brief, waarin hij schrijft (1 Petr. 5, 13): “De mede-uitverkorene (hiermee bedoelt hij de toenmalige plaatselijke Kerk) in Babylon en Markus mijn zoon (de evangelist), groeten u”. Babylon (*) was toen een courant gebruikte symbolische naam voor Rome. Dit is een moeilijk te negeren bewijsstuk, behalve voor hen die om de een of andere reden (ideologische of theologische verblindheid?) de evidentie niet willen aanvaarden (*).

H. Petrus, bid voor hen.

IVH

(*) Critici brengen naar voor dat de benaming Babylon ook gebruikt werd om de joodse “diaspora” aan te duiden (waar ook de meeste eerste christenen verbleven). Maar als plaatsaanduiding van een kerkgemeenschap, bij het schrijven van een brief, lijkt zoiets vaags nogal zinloos.

(**) Er is sprake van “evidentie” wanneer de antwoorden op een historische vraagstelling goed met elkaar overeenstemmen, vanuit drie (of meer) onafhankelijke gezichtspunten. Hier hebben we te maken met gelijkluidende antwoorden op de vraag waar Petrus werd begraven: historische (vroegchristelijke documenten, de bouw van de basilieken van Petrus en Paulus te Rome), traditionele (de continue verering van Petrus in Rome) en archeologische (afkomstig van de opgravingen onder de St Pietersbasiliek). De evidente conclusie is dat Petrus – waarschijnlijk op hogere ouderdom en misschien al na zijn zestigste – naar Rome trok, het centrum van waaruit het christendom zich vanaf dan over het ganse Romeinse rijk verspreidde. Het is ook voor de hand liggend dat hij zich goed bewust was dat hij hiermee zijn leven riskeerde. Hij volgde daarmee het voorbeeld van zijn Meester die met zijn leerlingen naar Jerusalem trok, zijn kruisdood tegemoet.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s